Evans heeft al gehuild; dit jaar lacht hij

Cadel Evans ontpopt zich als een van de kandidaten voor de eindzege in de Tour de France. Hij zet nog een keer alles op alles voor realisatie van zijn droom.

Wereldkampioen, winnaar van klassiekers en kleinere rondes, al eens tweede in de Giro en de Tour. Toch stond Cadel Evans (34) in de meeste Tourprognoses hooguit in de schaduw van topfavorieten Alberto Contador en Andy Schleck, vaak zelfs nog achter de coming men Robert Gesink en Jurgen Van den Broeck. Op het netvlies staat zijn dramatische huilbui in de vorige Tour, toen de Australische renner met een schouderblessure de gele leiderstrui kwijtraakte in een zware Alpenetappe. Of anders de knullige manier waarop hij in 2008 een vrijwel zekere Tourzege uit handen gaf aan de Spanjaard Carlos Sastre.

Maar toen Evans gisteren na de finish een tikje op de schouder kreeg van zijn ervaren ploeggenoot George Hincapie, brak een gelukzalig glimlach door op zijn gezicht. Op de lastige Mûr-de-Bretagne, een kuitenbijter van de derde categorie, versloeg hij in de sprint de indrukwekkende Contador en kwam hij voor het eerst als winnaar over de streep in een Touretappe. Op concurrenten als Andy Schleck en Robert Gesink won de Australiër acht seconden. Alleen de gele trui zat er niet in, omdat leider Thor Hushovd ijzersterk in het spoor bleef van de beste klimmers. „Geel had ik al eens eerder”, lachte de ritwinnaar. „Daar kan ik nog wel even op wachten.”

Dit jaar – na het overlijden van zijn Italiaanse trainer, steun en toeverlaat Aldo Sassi – zet Evans nog één keer alles op alles om zijn droom van een Tourzege te verwezenlijken. Met rit- en eindwinst in de Tirreno Adriaticotoonde hij vroeg topvorm, na de klassiekers versloeg hij de Giro-toppers in de Ronde van Romandië en in de Dauphiné hoefde hij alleen Bradley Wiggins voor te laten gaan. Zelf bleef Evans bescheiden, de herinnering aan vorige Touroptredens temperde de verwachtingen verder. Maar op één tel van het geel laat hij na de vierde rit al zijn concurrenten al achter zich. „Mijn doel is het algemeen klassement in Parijs.”

Natuurlijk stijgt Evans na zijn ritzege met stip in het rijtje kanshebber voor de eindzege. In het circus van de Tour geldt de waan van de dag. Vraag maar aan Contador, achter wie na zijn ongelukkige val in de eerste rit en wat secondenverlies in de ploegentijdrit de eerste serieuze vraagtekens werden gezet. Was de drievoudig Tourwinnaar, met een zware Giro in de benen en een dopingaffaire boven het hoofd, al kansloos? Op de Mûr-de-Bretagne toonde de Spanjaard een staaltje pure klasse.

Op 1,4 kilometer van de finish, waar de weg met tien procent omhoog liep, trok de drievoudig Tourwinnaar met een venijnige demarrage de voorste groep uit elkaar. In de laatste honderd meter zette hij de sprint in, zag Evans voorbijkomen en vond toch weer de kracht om op een haar na nog langszij te schieten. Geen enkele Tourrenner kan drie keer vlak achter elkaar zo versnellen bergop. „Goede test van Alberto”, vond ploegleider Bjarne Riis. Verbaasd dat zijn kopman er de spirit voor had gevonden na zijn eerdere tijdverlies? „Nee. Hij wil de Tour winnen. Dan heb je spirit nodig.”

De kleine winst van Evans, Contador en acht anderen op een tweede groepje met Andy Schleck en Gesink kwam niet als een complete verrassing. De Australiër en de Spanjaard zijn specialist in aankomsten op een kort klimmetje. Evans won op de Muur van Hoei al eens de Waalse Pijl en was in de eerste rit tweede op de Mont des Alouettes. Verrassend was meer dat topfavoriet Philippe Gilbert, toen oppermachtig, niet won. Sinds april verloor de Waal niet meer in een aankomst bergop. Maar ook voor de kopman van Omega Pharma-Lotto kan de favorietenrol een keer te zwaar zijn. Op de slotklim maakte Gilbert in zijn gretigheid de fout om halverwege de klim achter zijn sterke ploeggenoot Jurgen Van den Broeck aan te springen. Verder dan de vijfde plaats kwam hij daarna niet meer.

Eerder in de 172,5 kilometer lange rit keek het hele peloton naar de ploeg van Gilbert toen er moest worden gejaagd op vijf koplopers, onder wie de uitblinkende Johnny Hoogerland. Anders dan vluchtgroepen in eerdere ritten, met de Nederlanders Lieuwe Westra en Nikki Terpstra, leek deze poging tot ver in de finale kansrijk. „Toen we op twintig kilometer nog twee minuten hadden, begon ik te denken dat het zou lukken”, zei Hoogerland. Pas op vier kilometer van de eindstreep werden de vijf ingelopen.

In de zenuwachtige jacht naar de slotklim zette Bauke Mollema zijn kopman Gesink uitstekend vooraan af aan de voet. Maar Gesink is geen specialist op korte, explosieve klimmetjes. Net als Andy Schleck moest hij acht seconden toegeven. „Dit is een pokkending”, aldus Gesink, die nu zeventiende staat op 20 seconden. Zijn commentaar: „Ik ben niet supertevreden, maar verlies ook niet veel.”