Een hoge prijs voor voetbal, je gezin

Het nationale Palestijnse voetbalelftal speelde zondag het eerste officiële thuisduel.

Zijn elftal bij elkaar krijgen, is voor bondscoach Moussa Bezaz het meeste werk.

De spelers komen uit Chili, Zweden, Frankrijk, de Verenigde Staten, de bezette Westelijke Jordaanoever, de Gazastrook en Oost-Jeruzalem. Er zitten moslims en christenen bij. Er zijn aanhangers van de islamitische beweging Hamas, aan de macht in Gaza, en van Fatah, dat de Westelijke Jordaanoever regeert. „Maar als ze onder mijn hoede staan, is het uit met de verdeeldheid”, zegt bondscoach Moussa Bezaz streng. „Ik accepteer geen discussies over politiek, hooguit over het spelsysteem. Voetballen, jongens, zeg ik dan.”

De Franse Algerijn Moussa Bezaz is in 2009 aangesteld als bondscoach van het Palestijnse elftal. Van de flamboyante Fatah-leider en voetbalsponsor Jibril Rajoub heeft hij de opdracht gekregen het team zo dicht mogelijk bij het WK voetbal van 2014 te brengen. „Daarvoor wist ik niet eens dat dit team bestond”, zegt de voormalige verdediger van Sochaux in een restaurant van een hotel in Ramallah.

Bezaz vertelt dat zijn werk vooral bestaat uit het oplossen van de ontelbare praktische problemen die hij heeft om zijn elftal bij elkaar te krijgen. Hij heeft zojuist met zijn spelers getraind. Althans: de spelers die erin geslaagd zijn de Westelijke Jordaanoever te bereiken. „Het is heel moeilijk toestemming te krijgen om een speler uit de Gazastrook naar Ramallah te halen. Soms krijgen we toestemming van Israël, soms niet. Daarbij: hoe weet ik dat die speler goed is? Ik kom Gaza niet binnen.”

Voor het eerst speelt het nationale Palestijnse voetbalelftal een officieel thuisduel. In het Faisal Husseini Stadion in Al-Ram, een door de Israëlische Muur geïsoleerd dorp tussen Ramallah en Oost-Jeruzalem, spelen de Palestijnen een WK-kwalificatiewedstrijd tegen Afghanistan. De winnaar speelt een play-off tegen Thailand. Het wordt 1-1, voldoende voor Palestina na de 2-0 uitzege. „Het was geen goede wedstrijd”, zegt Bezaz na afloop. „De spelers zijn moe van het reizen.” Het uitduel werd vijf dagen ervoor in Tadzjikistan gespeeld, een reis van ruim 24 uur.

De wereldvoetbalbond FIFA is een van de weinige internationale instanties die Palestina al erkennen. In september wil de PLO eenzijdig een Palestijnse staat uitroepen, en de Verenigde Naties om erkenning vragen. Op het voetbalveld is het al zo ver. De vlag wordt gehesen, er wordt een volkslied gespeeld, en premier Salam Fayyad kijkt toe op de eretribune.

Jibril Rajoub, Fatah-leider en voorzitter van de voetbalbond, heeft een groot portret van zichzelf in het stadion laten ophangen. Rajoub zat jaren in een Israëlische cel, omdat hij in 1970 een granaat had gegooid naar het Israëlische leger. Toen hij vrijkwam, zette hij zich in voor het Palestijnse voetbal. „De wereld kan vandaag zien dat we al een staat zijn, of we nu internationale erkenning krijgen of niet. Sport is het sterkste nationale symbool dat we hebben.”

Bezaz heeft een ploeg onder zijn hoede met allerlei verschillende nationaliteiten. De spelers uit Oost-Jeruzalem hebben niet eens een paspoort, alleen een speciale identiteitskaart. Net als de spelers uit Gaza en de Westelijke Jordaanoever zijn ze in feite stateloos. Bezaz heeft voor het duel met Afghanistan een speler uit Chili opgeroepen, waar Palestijnse migranten een succesvolle eigen profclub hebben, Palestino. De twee meter lange verdediger Omar Jarun, een Amerikaanse Palestijn die ooit vluchtte uit Koeweit, ziet vandaag de Westelijke Jordaanoever voor het eerst. Op de verkruimelde Westelijke Jordaanoever, enclaves met Palestijnse zelfbestuur waartussen het moeilijk reizen is, wordt de competitie regelmatig afgelast omdat het bezoekende team niet op tijd arriveert. Uitreisvisa vanuit Gaza voor interlands zijn nog moeilijker te regelen. Bezaz: „We moeten visa krijgen, toestemming om in en uit te gaan. Het is vrijwel onmogelijk. De acht internationals die uit Gaza komen, spelen permanent hier. Ze kunnen niet meer terug.”

Reservekeeper Assim Abu Assi (28) is een van hen. Zijn vrouw en zoontje wonen in Gaza-stad. Hij verliet het geïsoleerde gebied toen hij in 2008 een profcontract kon verdienen in Oost-Jeruzalem. Hij keept voor Jabel Mukaber, de kampioen van vorig jaar. „In Gaza bestaat eigenlijk geen competitie meer. Er was geen toekomst voor mij, dus toen ik toestemming kreeg om te gaan, heb ik afscheid genomen van mijn gezin.”

Abu Assi zit in een café in het centrum van Ramallah. De dagen dat hij niet speelt zijn lang, zegt hij. Uitgaan mag hij niet, vrienden maakt hij alleen bij zijn club. Hij doodt de tijd door op YouTube filmpjes van beroemde keepers te bekijken. „Ik denk dat veel spelers uit het nationale team in Europese competities kunnen spelen. Ze zijn sterk, ze hebben tactisch inzicht. Maar omdat de competitie hier steeds stil ligt, krijgen we de kans niet echt te groeien. We moeten de ploeg elke keer opnieuw opbouwen.”

Abu Assi voelt zich trots, zegt hij, als hij mag spelen voor Palestina. Een „soldaat voor het Palestijnse volk”, noemt hij zichzelf. „Als de spelersbus vertrekt en we passeren de Israëlische controleposten krijg ik een machtig gevoel.” Als hij opstaat om weer te trainen, klinkt hij minder strijdbaar. „Ik denk wel eens: ik betaal een te hoge prijs voor het voetbal. Ik kan de hele dag wel in mijn telefoon naar de foto’s van mijn zoontje kijken. Als ik in het doel sta, vraag ik me af hoe het met hem gaat en wat hij al kan.”