2.200 watt in de laatste 150 meter

De komende dagen gaan de sprinters in de Tour de France voor etappezeges. Met behulp van piekvermogens, fast twitch spiervezels en treintjes.

Een voor een haakten de snelste mannen van het peloton gisteren af. Op 8 kilometer van de finish kon Tyler Farrar, de Amerikaanse sprinter die een dag eerder de etappe naar Redon won, het tempo niet meer bijhouden. Vlak daarna loste ook Mark ‘Cannonball’ Cavendish uit het peloton, dat net aan de beklimming van de Mûr-de-Bretagne was begonnen.

Zodra het peloton een helling op moet, moeten de sprinters passen. Dat heeft meestal een heel simpele reden: ze zijn te zwaar. Sprinters wegen gemiddeld 75 kilogram, klimmers 62, vertelt Kevin De Pauw van de Vrije Universiteit Brussel. De Pauw doet onderzoek naar het herstel van wielrenners en werkt samen met Omega Pharma-Lotto, de wielerploeg van onder meer Philippe Gilbert. „Sprinters hebben meer spiermassa en daardoor meer kracht”, zegt De Pauw. In de eindsprint van vlakke etappes zijn ze daar mee in het voordeel. „Dan valt het gewicht weg als factor en gaat het om absolute power.” Relatief gezien hebben klimmers echter meer kracht per kilo lichaamsgewicht, en dat is wat telt als de weg omhoog loopt.

In de eerste vier dagen van de Tour de France eindigden twee etappes bergop en werd de ploegentijdrit verreden. De sprinters van het peloton, die altijd de eerste week van de Tour domineren, hebben nog niet veel kunnen laten zien. Maar dat zal de komende dagen waarschijnlijk veranderen: er is een grote kans dat de etappes van vandaag, morgen en vrijdag in een massasprint eindigen.

Sprinters hebben het unieke talent om in de laatste 150 meter van een race enorm veel vermogen te leveren. De hoeveelheid energie die dan per seconde uit de benen wordt geperst loopt bij sommigen tegen de 2.200 watt, vertelt De Pauw. Ter vergelijking: een goed getrainde sporter als een voetballer komt niet verder dan de 1.000 watt – minder dan de helft.

Maar nog belangrijker dan pure kracht van sprinters, zegt de onderzoeker, is het vermogen dat zij kunnen trappen terwijl hun spieren zijn verzuurd. Aan het einde van de koers rijden de spurters boven hun zogeheten anaerobe drempel. Het lichaam levert dan niet genoeg zuurstof voor de gevraagde inspanning en schakelt over op het anaerobe energiesysteem. Suikers worden dan zonder zuurstof gesplitst in melkzuur, wat snel energie oplevert maar ook pijn veroorzaakt. „Klimmers kunnen boven de anaerobe drempel meestal zo’n 300 watt trappen, spurters nog 350 watt”, vertelt De Pauw.

Het geheim zit in de sprintersbenen. Zij hebben meer fast twitch spiervezels dan klimmers, vezels die snel energie leveren en zorgen voor explosiviteit. Cavendish, de afgelopen jaren de snelste sprinter ter wereld, heeft de meeste van allemaal. Farrar is weer minder explosief, maar kan de spurt langer volhouden. En sprinter Thor Hushovd kan zelfs lang mee op heuvelachtig terrein, als Cavendish al lang is opgebrand. Voor een deel kunnen sprinters hun explosieve vezels trainen, zegt De Pauw, door intervaloefeningen te doen. „Maar het is voor het grootste deel genetisch bepaald.”

In de massasprint proberen de spurters hun omslagpunt zo lang mogelijk uit te stellen door een zogeheten treintje te formeren: renners die de sprint aantrekken. Achter een ploeggenoot hoeven wielrenners minder kracht te zetten om even hard te gaan. „Als de eerste renner in het peloton een vermogen van 300 watt trapt, hoeft de tweede 30 procent minder hard te trappen om even snel te gaan”, zegt De Pauw. De renners maken gebruik van de verminderde luchtweerstand in de slipstream van hun voorganger.

In de laatste 150 meter spreken de sprinters vervolgens hun fast twitch vezels aan, om snelheden van soms meer dan 70 kilometer per uur te bereiken. Toch gaat het in de sprint niet alleen om het vermogen. „Tactiek is is belangrijk”, stelt De Pauw. „Het moment waarop je de sprint aangaat, en op welke plek je rijdt, bepaalt of je eerste of vijfde wordt.”