Subsidie is een aai over je bol

Achttien jaar werk ik nu als kunstenaar, onafhankelijk van subsidies.

Het dichtdraaien van de geldkraan maakte mij alleen maar beter.

Nu de bezuinigingen op kunstsubsidies nieuws van de dag zijn krijg je haast het idee dat ‘de Nederlandse cultuur’ alleen maar kan bestaan bij de gratie van subsidie. Maar de gedachte dat kunstenaars wel gesubsidieerd móeten worden om professioneel kunstenaar te kunnen zijn, wordt vooral in stand gehouden door de de kunstwereld zelf.

Naast die gesubsidieerde orde is er ook een groep ongesubsidieerde kunstenaars, die niet kunnen leven van de kunst, maar toch iedere dag met kunst bezig zijn.

Ze worden gedreven door passie om te creëren en zien de kunstwereld eerder als een circus waar ze noodgedwongen aan deel moeten nemen zodra ze met hun kunst naar buiten komen. Ze aanschouwen het spel vanaf de zijlijn. Ze hebben hun koers al jaren geleden gewijzigd toen voor hen de subsidiekraan werd dichtgedraaid. Ze hebben zich onafhankelijk ontwikkeld en staande weten te houden, zonder financiële steun van de overheid of andere instanties.

Zelf studeerde ik in 1990 af aan de kunstacademie. Ik werd al snel geconfronteerd met de plaatselijke overheid die de uitkeringskraan na twee jaar dichtdraaide.

De overheid bood steun, maar stelde ook zijn eisen: sollicitatieplicht of omscholing. Toen bleek dat mijn artistieke uitspattingen ook niet aangemoedigd werden met subsidies, ging ik deeltijd werken in loondienst. Kunst werd mijn niet te stuiten ‘hobby’. Ik voelde me kunstenaar en werkte in mijn atelier zodra de mogelijkheid daar was.

Vanaf dat moment belandde ik in een neerwaartse spiraal. Ik kon mijn hoofd als kunstenaar nauwelijks boven water houden. Dat werd vooral veroorzaakt door de heersende opvattingen vanuit de scene. Mijn kunstenaarschap werd onderworpen aan normen die afweken van de heersende normen in de kunstwereld.

Wat mij vooral verbijsterde, was dat gesubsidieerde kunstenaars en kunstenaars in de bijstand aangezien worden voor ‘professioneel kunstenaar’. Het huidige subsidiesysteem werkt als aai over de bol: zit je eenmaal in de subsidiemolen, dan heeft je werk ‘kwaliteit’ en word je als kunstenaar erkend; een volgende subsidie wordt waarschijnlijker; galeries zijn geïnteresseerder.

Maar wat heeft dit feitelijk met professioneel kunstenaarschap te maken? Je bent kunstenaar ondanks, en niet dankzij het ontvangen van een subsidie.

Al achttien jaar ben ik niet van subsidie afhankelijk. Ik zoek met mijn kunst niet uitsluitend bevestiging binnen de kunstwereld of onder vakgenoten. Ik meng me in het kunstcircus als mij dat uitkomt, ik pik mijn graantje mee en doe mijn ding, los van normen die ‘professionelen’ aan me stellen. Dat leidt geregeld juist tot verwondering en erkenning.

Om financiële redenen ben ik naast mijn autonome kunst ook aan een toegepast project begonnen, buiten de beeldende kunst. Aanvankelijk was ik bang dat dat een beperking zou zijn, maar het motiveerde me om me te ontwikkelen, andere mogelijkheden te verkennen.

Ik hoop dat andere kunstenaars gaan inzien dat het wegvallen van subsidie geen beperking hoeft te betekenen, maar juist mogelijkheden kan scheppen. Het bestaansrecht als kunstenaar staat of valt niet met een permanent gevende overheid of de norm die kunstorganisaties stellen, ook niet bij het aannemen van een slachtofferrol of het hebben van een te groot ego.

De nieuwe maatregelen vereisen creativiteit – iets wat je van kunstenaars mag verwachten.

Roland Maas is beeldend kunstenaar.