Olie brengt Ghana nog geen welvaart

Een grote olievondst heeft tot hoge verwachtingen geleid in het Ghanese stadje Takoradi. Tot nu toe profiteren vooral de huurbazen en de hoeren.

Aan deze kust valt de avond altijd snel en altijd rond hetzelfde tijdstip, en sinds de komst van de oliejongens staan de parkeerplaatsen van de beste hotels van de stad na zessen altijd vol. Hier parkeren Terry en John en Andrew hun terreinwagens voordat ze de eenzaamheid van het expat-bestaan wegdrinken op het terras van Planter’s Lodge. Sommigen vertrekken na een paar uur met een jonge vrouw in een korte glitterjurk. Anderen rijden aangeschoten terug over donkere hobbelweggetjes die leiden langs te huur aangeboden luxeappartementen.

Na de ontdekking van een enorme olievoorraad voor de kust, in 2007, is het in verval geraakte Ghanese havenstadje Takoradi, ooit opgebouwd door de Britse koloniale heersers, aan een comeback begonnen. Hoteleigenaars hebben de prijzen van hun kamers verdubbeld. Oude appartementencomplexen worden razendsnel opgeknapt en van airconditioners en muren met prikkeldraad voorzien. Grond is in en rond het centrum amper nog te krijgen. „Voor een villa aan zee vragen ze rustig 8.000 dollar per maand”, zegt Terry terwijl hij vanachter het stuur naar een pronkerig huis met rode dakkapellen wijst.

De bolle Amerikaan uit Louisiana werkt sinds maart op een schip dat een olieplatform bevoorraadt. Hij heeft zichtbaar moeite te wennen aan de kloof tussen arm en rijk. „Mijn Ghanese kok betaalt 40 dollar per maand voor een hok in het centrum.” Terry noemt zichzelf een vluchteling: na de olieramp in de Golf van Mexico en het moratorium op diepzeeboringen voor de zuidkust van de VS zoeken veel Amerikaanse offshorebedrijven naar contractwerk in de Golf van Guinee. „Obama is killing us.”

De nieuwe godheid van Takoradi is het Brits-Ierse bedrijf Tullow Oil, dat de hoogwaardige Ghanese olie als eerste vond en mede dankzij een eerdere vondst in Oeganda een van de belangrijkste oliemaatschappijen in Afrika is geworden. Tullow heeft de luchtmachtbasis en een deel van de haven overgenomen, houdt kantoor naast de grootste rotonde van de stad en belichaamt de hooggespannen verwachtingen van de ministers en de notabelen die nu al hardop dromen van Ghana’s toekomstige toppositie als Afrikaanse olieproducent.

Het Jubilee-veld voor de kust bevat minstens een miljard vaten olie en een grote hoeveelheid gas. In april werd een tweede bron aangeboord die mogelijk net zo’n grote reserve heeft als Jubilee. Eind vorig jaar kwam de eerste olie uit zee, en Tullow hoopt de productie volgende maand op te voeren van 70.000 naar 120.000 vaten per dag. De Wereldbank verwacht dit jaar een economische groei van 14 procent.

De ontdekking van olie veroorzaakte niet alleen koortsachtig optimisme onder de regering, maar ook de hoop op werkgelegenheid voor de verarmde bevolking van westelijk Ghana. Tienduizenden banen zouden gecreëerd worden, en de technische scholen in de regio zagen ineens een toestroom van studenten. Dat enthousiasme is inmiddels getemperd. Het merendeel van de gediplomeerden die aan de slag willen als lasser, ingenieur of elektrotechnicus wacht nog steeds, want op de olieplatforms werken gemiddeld maar honderd man en aan wal zijn het vooralsnog de expats die de ervaring en de expertise hebben.

Analisten denken nu dat de olie-industrie hoogstens duizend nieuwe banen zal scheppen. Volgens de regering moet in 2020 minstens 90 procent daarvan uitgevoerd worden door Ghanezen. Het zijn de huurbazen en de hoeren, zeggen sommige Ghanezen lachend, die tot nu toe het meest van de olie hebben geprofiteerd.

Zo heeft de komst van Tullow een nieuwe elite doen ontstaan: de paar honderd Ghanezen die wel terecht konden bij een van de oliemaatschappijen. Zij zijn de geluksvogels, de uitverkorenen. Bfiza werkte als secretaresse bij een internetonderneming toen ze drie jaar geleden een telefoontje kreeg van Tullow. Haar cv had hun interesse gewekt. Ze hoefde niet lang na te denken: „Ik kon drie keer zoveel verdienen.” Ze kreeg binnen een half jaar promotie en vertelt enthousiast over de bedrijfscursussen die ze heeft gevolgd.

Bij Tullow komt iedereen op tijd en raakt de printerinkt nooit op. „Deze baan heeft mijn leven veranderd”, zegt Bfiza. „Ik heb prestige. Ik krijg overal respect. Maar mijn badge met het bedrijfslogo stop ik in mijn tas als ik de stad in moet. In de ogen van de rest van de bevolking ben ik stinkend rijk. Zodra ze weten dat ik voor Tullow werk, rekenen taxi’s het dubbele tarief.”

Ghana heeft hevig gedebatteerd over de vraag hoe de opbrengsten uit olie besteed moeten worden. In april nam het parlement een wet aan die het beheer van de toekomstige olie-inkomsten regelt. Een amendement om jaarlijks 10 procent van dat geld speciaal aan de westelijke regio toe te wijzen, werd afgewezen. De wet bepaalt dat een deel van de winst opzij wordt gezet in een nationaal ontwikkelingfonds.

Takoradi hoopt op mooie asfaltwegen, betere scholen en moderne ziekenhuizen – maar de angst bestaat dat het geld alsnog verdwijnt, net als in olieproducent Nigeria, dat de afgelopen decennia tientallen miljarden oliedollars heeft verkwist. Volgens Koffi Sarfo, een militair die twee jaar onbetaald verlof opnam om voor een subcontractor van Tullow te werken, is het belangrijk dat de Ghanezen hun verwachtingen terugschroeven. Dat deed hij zelf ook, nadat hij op een onbuigzame Britse baas was gestuit met wie hij niet overweg kon. Sarfo nam ontslag en rekent voor zijn oudedagsvoorziening op een lapje grond dat sinds de aankoop in 2009 flink in waarde is gestegen.

„Goed beschouwd hebben de oliemaatschappijen hier weinig geïnvesteerd”, zegt Sarfo. Ze hebben alleen wat oude gebouwen opgeknapt. Misschien hebben ze van de kolonisten geleerd: die bouwden zich suf in Takoradi, maar moesten alles achterlaten toen Ghana onafhankelijk werd. Het is aan ons, en niet aan de investeerders, om verantwoordelijk met de olie-inkomsten om te gaan. Maar als er over dertig jaar nog steeds geen goede wegen of scholen zijn, dan krijgen de buitenlanders, en Tullow, natuurlijk wel de schuld.”