Kredietbeoordelaars hebben last van fouten uit verleden

De ECB legt het oordeel van kredietbeoordelaar S&P over Griekenland naast zich neer. Eerst was S&P niet streng genoeg, nu is er weer kritiek.

Is het nou nooit goed? Dat gevoel moet kredietbeoordelaars Standard & Poor’s, Fitch en Moody’s bekruipen.

Na de Amerikaanse huizencrisis kregen ze de volle laag omdat ze het risico op opgeknipte en doorverkochte hypotheken hadden onderschat. De conclusies van de Amerikaanse Financial Crisis Inquiry Commission in januari van dit jaar waren vernietigend. „De crisis had zich niet kunnen voltrekken zonder de kredietbeoordelaars”, aldus de tien leden die in opdracht van de Amerikaanse regering de oorzaken van de crisis onderzochten.

De rekenmodellen klopten niet, de kredietbeoordelaars bezaten onvoldoende middelen om hun werk goed te doen en ze werden onder druk gezet door hun opdrachtgevers, de banken, aldus de onderzoekers.

In Europa krijgen de beoordelaars – Moody’s, Standard & Poor’s en Fitch – ook kritiek. In april zei eurocommissaris Rehn (Monetaire Zaken) na de zoveelste downgrade van Griekenland dat de kredietbeoordelaar S&P de situatie veel te somber inschatte. Die kritiek klonk gisteren weer nadat S&P het Franse plan torpedeerde om banken aflopende Griekse obligaties te laten ruilen voor langlopende obligaties. S&P vond dit de facto zou betekenen dat Griekenland deels betalingsverplichtingen niet zou nakomen.

Kredietbeoordelaars wijzen erop dat het niet hun taak is Griekenland er bovenop te helpen. Zij zien zichzelf liever als neutrale arbiters. Hun taak is het beoordelen van de kredietwaardigheid van een lening van een bedrijf of een staat, menen ze.

Kritiek dat zij plannen ondermijnen of zoals de Griekse premier Papandreou het in april zei „de toekomst van Griekenland willen bepalen” laten beoordelaars van zich afglijden. „Politici proberen ons te beïnvloeden, maar daar houden wij geen rekening mee”, zei een analist van een beoordelaars op bezoek in Amsterdam begin dit jaar.

Beoordelaars wijzen er steevast op dat hun ratings van staatsobligaties kloppen. Ieder land dat de afgelopen 30 jaar failliet is gegaan, kreeg minstens een jaar daarvoor door de beoordelaars de stempel junk status, ofwel ongeschikt om in te investeren. Op basis de politieke en economische en monetaire situatie kunnen wij goed inschatten wat er gaat gebeuren, luidt de redering van de beoordelaars. Maar het is de vraag of kredietbeoordelaars juist scherpe inzichten hadden of dat hun beoordeling net dat laatste zetje gaf. Een slechte rating zorgt immers voor hogere rentes en dus grotere problemen voor een land dat al in de problemen zit.

De beoordelaars vinden niet dat zij de problemen van landen erger maken. Zij beoordelen en beleggers reageren. Toen S&P in 2005 en 2006 de beoordeling van de Griekse schuld verlaagde, reageerde de markt niet. Vanaf toetreding tot de euro in 2001 tot het begin van de crisis in 2009 betaalden de Grieken immers nauwelijks meer rente op staatsobligaties dan Duitsland, het toonbeeld van financiële betrouwbaarheid.