Hoe de niestheorie je leven verandert

Gisteren werd er in de rubriek Next Question door een anonieme man de volgende vraag gesteld: waarom moet ik niezen als ik opgewonden raak? Het was voor de vraagsteller vast geruststellend om te horen dat het een fenomeen is dat vaker voorkomt. Toch is er geen duidelijke reden aanwijsbaar; er wordt slechts gespeculeerd over het parasympathische zenuwstelsel (dat ook verantwoordelijk is voor een reeks nogal niet-sexy zaken, zoals een grotere productie van spijsverteringssappen en een snellere darmbeweging).

Het was een interessante vraag. Voor mijn gevoel zijn niezen en orgasmes altijd al op een bepaalde manier verwikkeld in een flirterige tango. Dat begon met de veelgehoorde opvatting: eigenlijk is een nies een milde variant van een orgasme. Het is iets wat langzaam opkomt, het kriebelt, de spanning bouwt zich op, je wilt nu echt dat het gebeurt, als het nog langer duurt gaat het irriteren, en HATSJOE: een gelukzalige, tintelende ontlading, gevolgd door een licht verdwaasde blik. Niezen is meestal een prettige ervaring – behalve misschien tijdens een woeste hooikoortsaanval, maar dat vertaald naar orgasmes lijkt me ook allesbehalve aangenaam.

Een paar jaar geleden hoorde ik echter een theorie die mijn kijk op de niezende medemens enigszins heeft verstoord. Die theorie luidde dat iedereen niest zoals hij klaarkomt. Kortom: het soort nies verklapt iets over de manier waarop iemand zijn of haar orgasme beleeft.

Of je het nou wilt of niet – dit soort theorieën veranderen je leven.

Overal waar ik was, hoorde ik luid en duidelijk de niezen om me heen. En begon die onwillekeurig te analyseren. Mannen met bulderende niezen. Mannen die net voor een nies hun hand hieven, alsof de wereld even op hem en zijn nies moest wachten. Gespierde, grote mannen die plotseling niesten als een verkouden babykonijn. Vrouwen die net voor de nies hun neus dichthielden, zodat die implodeerde. Vrouwen die vijf keer heel snel achter elkaar niesten. Vrouwen die intens geschrokken leken van hun eigen nies. Spetterniezen. Snorkende niezen. Niezen die er heel lang aan leken te komen – opengesperde neusgaten, zoekende blik – om dan op het laatst toch weer geruisloos te verdwijnen.

Je begrijpt: het was voor mij niet echt meer een pretje om tijdens de herfst in een volle treincoupé te zitten.

Ook mijn eigen niezen waren niet meer veilig voor mijn overprikkelde fantasie. Bij elk mager niesgeluidje dacht ik: o jee, deze klonk echt een beetje als een stervende dwerghamster. Wat zegt dit over mij?

Toch verdween de theorie langzaam uit mijn leven – misschien omdat ik er nooit écht in geloofd had. Na een tijd dacht ik tijdens een treincoupé vol niezende mensen gewoon weer aan: ‘Misschien heb ik wel een vitamine D-tekort door deze zonloze herfst’ en: ‘Natte regenjassen ruiken altijd naar hond. Dat is eigenlijk best vreemd’.

Door de seks- en niesgerelateerde verhalen in de krant van gisteren dacht ik echter opnieuw aan de theorie. Misschien zit er tóch wel een kern van waarheid in. Weet wat u niest.

Renske de Greef