Een keizerlijke Pan-Europeaan

Otto, erfgenaam van de Habsburgse keizer, bleef tot 1961 hopen op de troon. Zijn verhouding met Oostenrijk was lang moeilijk. Hij stond voor Europese integratie.

Dat hij zichzelf Otto von Habsburg kon noemen, dankte hij aan zijn Duitse staatsburgerschap – iets wat veel monarchisten en Oostenrijkers hem kwalijk namen. In zijn geliefde geboorteland Oostenrijk zou het adellijke ‘von’ uit zijn naam geschrapt zijn, net als bij zijn zoon, die Karl Habsburg-Lotharingen heet.

De gisteren op 98-jarige leeftijd overleden zoon van de laatste keizer van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie legde zich er uiteindelijk bij neer dat hij nooit op de troon zou zitten. Maar hij hield intussen bijna krampachtig vast aan zijn aristocratische herkomst. Dat leidde tot een moeizame relatie met zijn geboorteland, waaraan pas een einde kwam door de ‘historische handdruk’ met bondskanselier Bruno Kreisky in 1972.

Daarvóór hadden de Oostenrijkers zijn familie in 1918 onttroond, in 1919 het land uitgezet en kort daarna met de zogeheten ‘Habsburgergesetze’ de toegang tot het land voor altijd ontzegd en de landgoederen van de familie onteigend.

In 1935 werden die wetten opgeheven, in een poging van bondskanselier Kurt von Schuschnigg om Otto over te halen naar Oostenrijk terug te keren. Die weigerde, uit vrees dat dat voor Adolf Hitler een reden zou kunnen zijn om het land binnen te vallen. In 1938 was Otto von Habsburg wel bereid tot een terugkeer, maar alleen als hij bondskanselier zou worden, om zo de ‘Anschluss’ bij nazi-Duitsland te voorkomen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog vluchtte Otto eerst naar Frankrijk en later via Portugal naar de VS. Daar wist hij, naar eigen zeggen, president Roosevelt te overtuigen van de noodzaak om Oostenrijk na de oorlog uit handen van de communisten te houden. Toch was hij ook na 1945 niet welkom in zijn land. Zelfs niet toen hij, in 1961 schoorvoetend besloot een verklaring te ondertekenen waarin hij afstand deed van zijn recht op de troon. Pas in 1966 kreeg hij een Oostenrijks paspoort dat hem toegang gaf tot zijn geboorteland.

Intussen was hij al lang politiek actief. Hij werd lid en later voorzitter van de Pan-Europese Unie, een conservatieve beweging die streefde naar Europese eenwording, en kwam in 1979 namens de Beierse CSU in het Europees Parlement – die mogelijkheid was voor hem een extra geweest om een Duits staatsburgerschap aan te vragen.

Als parlementariër was hij zeer betrokken bij het lot van de toen nog communistische Oost-Europese landen. Hun toetreding tot de EU beschouwde hij als „de mooiste gebeurtenis” in zijn politieke leven.