Veel imams weten niet van de echte problemen

Imam Al-Manar is het gesprek van de dag onder moslims in Rotterdam.

Zijn progressieve houding doet het goed onder jongeren, oudere volgers zijn kritisch.

Drie kwartier voor het middaggebed staat Mohamed Al-Manar (44) buiten aan de noordkant van de moskee. De vrouw met wie hij praat, huilt. Haar twee jonge kinderen staan er afwachtend naast. Hij is zo klaar, gebaart hij naar de verslaggever. In de zelfopgelegde taakomschrijving van Al-Manar, sinds vijf maanden imam van de veelbesproken Essalammoskee in Rotterdam-Zuid, hoort het er allemaal bij: de vijf dagelijkse gebeden leiden, maar ook tijd vrijmaken voor de problemen van zijn gemeenschap en zelfs journalisten te woord staan.

Imam zijn is geen baan voor hem, het is een missie. In de korte tijd dat hij de Marokkaanse moslimgemeenschap in Zuid leidt, heeft hij een reputatie opgebouwd. Jongeren zijn blij met een imam die eindelijk gericht is op de Nederlandse maatschappij. Oudere moskeegangers mopperen juist over deze nieuwe aanpak. Het gevolg: geroddel in huiskamers en in andere moskeeën over ‘die Egyptenaar’.

Hoe is het om imam te zijn van de grootste moskee van West-Europa?

„Veel mensen denken dat het een eer is om imam te zijn van zo’n grote moskee. Maar zo voel ik het niet, ik zou dit werk net zo lief doen als het een kleine moskee was geweest. Het is eerlijk gezegd vooral zwaar. Ik vertrek rond tien uur ’s ochtends van huis in Hoofddorp en kom pas om tien uur ’s avonds thuis. Gemiddeld zit ik 14 uur per dag in deze moskee. Ik zie mijn kinderen nauwelijks, ik breng bijna geen tijd door met mijn vrouw. Soms wil ik graag een bepaald gerecht thuis eten, maar dat kan niet omdat ik tot ver na etenstijd werk. Het werk vergt geduld, wijsheid. Je moet tijd kunnen vrijmaken als iemand met zijn verdriet bij je komt. Op bezoek gaan bij een zieke. Iemand met een probleem kunnen bijstaan.”

Waar krijgt u zoal mee te maken?

„De moslims hier hebben veel problemen en ze wenden zich tot de imam voor hulp. Ik zet mijn telefoon nu regelmatig op stil opdat ik niet de hele tijd wordt gestoord. Op een gewone dag zijn er vijftig hulpverzoeken, klein en groot. Dat zijn ook mensen buiten de moskee en buiten Rotterdam. Over problemen binnen hun gezin en met het geloof. Dat zijn kwesties waar elke imam mee te maken krijgt. Maar ik probeer ook de problemen aan te pakken die moslims ondervinden in een niet-islamitisch land. Hoe je je moet gedragen ten opzichte van niet-moslims.”

En? Hoe moeten moslims hun Nederlandse buren behandelen?

„Profeet Mohammed had een Joodse buurman, bij wie de profeet met zijn vrouw kwam eten. Zo horen we met elkaar om te gaan, niet krampachtig. Dat probeer ik ook met mijn buren. Ik heb contact met hen, neem kleinigheidjes voor ze mee als ik op reis ben geweest. En zij behandelen mij ook heel goed. Ik kreeg een printer van de buurman, mijn kinderen krijgen speelgoed. ”

Mohamed Al-Manar, Egyptenaar van oorsprong, is getrouwd met een Marokkaans-Nederlandse. Ze hebben twee kinderen, Abdullah van vier en Yunus van anderhalf. Nadat hij afstudeerde aan de prestigieuze islamitische universiteit Al-Azhar in Kairo, heeft hij eerst in moskeeën in Saoedi-Arabië en Jemen gewerkt. Voor hij begon in de Essalam-moskee was hij geestelijk verzorger voor de GGD in Utrecht. Daar leerde hij wat moslims in Nederland bezighoudt. En hoe een imam daarbij kan helpen.

Hij geeft een voorbeeld: „Islamitische kinderen doen erg weinig aan sport. En hun ouders al helemaal niet. Ze stimuleren hun kinderen ook niet. Er moet meer kennis komen over onze gezondheid. Waarom bijvoorbeeld geen cursus EHBO in de moskee? Dit zijn nuttige onderwerpen voor de moskeegemeenschap. Ik wil elke week een thema geven: de week van het roken, de week van het kind. De week van de buren is al geweest.

„Veel imams in Nederland weten niet wat de problemen zijn in dit land. Ze kennen de leefwereld van de jongeren niet. Het probleem is dat deze imams veelal uit andere landen komen, met als enige bagage hun kennis van de Koran. Enkele maanden geleden is vanuit een vereniging een poging gedaan om imams van verschillende moskeeën te laten discussiëren over hedendaagse onderwerpen. Alleen een Pakistaanse imam en ik kwamen opdagen.”

Hoe komt dat?

„Voordat ik deze aanstelling kreeg, heb ik veel moskeeën in Nederland bezocht. Veel vrijdagpreken gehoord. Ze bevielen mij niet. Het zijn vooral dode onderwerpen die populair zijn bij deze imams. In veel moskeeën praten ze niet over hoe je omgeving schoon te houden, hoe je je kinderen leert om zich goed te gedragen in de tram. Dat zijn de onderwerpen die we beleven. In plaats daarvan gaat het over wat een ziel ondergaat in het graf, of over hoe de hemel eruit ziet. Dat zijn prima onderwerpen voor een keer, maar wij als gemeenschap hebben op dit moment te maken met huwelijksproblemen, problemen met onze kinderen, problemen op het werk. Dat is de werkelijkheid van alledag.”

Is dat waarom er ook kritiek op u is? En over u geroddeld wordt? Het gerucht gaat dat u een groepje oudere mannen verboden hebt hardop de Koran in de moskee te reciteren.

Hij lacht een trieste lach. „Nee dat heb ik niet gezegd. Er is een klein groepje mannen dat elke dag de Koran komt reciteren in de grote bidruimte van de moskee. Ik heb ze niets verboden, alleen gevraagd of ze dat in een kamer boven willen doen. In de grote bidruimte storen ze de mensen die wat later komen bidden of rustig een ander hoofdstuk uit de Koran willen leren. Stilte is belangrijk in die ruimte. Maar ze willen dat niet, zij willen doen zoals ze gewend waren in Marokko.”

Een andere roddel: u zou er ’s ochtends vroeg nooit zijn voor het eerste gebed.

„Ik woon in Hoofddorp, ik ben hard op zoek naar een woning in Rotterdam maar tot nu toe is dat niet gelukt. Ik maak al lange dagen, het is voor mij praktisch nog niet mogelijk om ook het gebed van drie uur ’s nachts te leiden. Ik weet dat de kritiek op mij vooral komt van andere imams, niet van bezoekers. We hebben elke vrijdag rond de drieduizend gelovigen die de moskee bezoeken. En 250 vrouwen. Bijna alles is vol.

„Mensen willen leren van hun imam, nieuwe ideeën kunnen opdoen van de moskee. Ik heb de afgelopen weken in drie preken over discriminatie gesproken. Over discriminatie onder moslims onderling. Dit was voor veel mensen iets nieuws, iets waar ze niet vaak over praten.

„Er heerst veel verdeeldheid en onverdraagzaamheid onder moslims. Marokkaanse moskeeën worden erdoor verscheurd. ‘Die komt uit het Noorden. En dat is een Arabier’, klinkt het. Het is een mentaliteitsprobleem: meer dan twintig jaar wonen ze hier, maar nog steeds leiden ze hun leven met de mentaliteit van hun dorp in Marokko.”

Uw moskee gaat het anders doen?

„Onze moskeeën ontwikkelen zich te weinig. Als het aan mij lag zou ik een moskee bouwen met een zwembad, een fitnessruimte, bibliotheek, computers en een restaurant. Zo hoort een moskee te zijn. In de tijd van de profeet was de moskee een plek waar jongeren allerlei dingen leerden. Leren zwemmen hoort bij het geloof. De moskee is er niet alleen om te bidden. Iedereen moet er welkom zijn. Nieuws kunnen volgen, koffie drinken, lessen en cursussen doen. En tafeltennis spelen.”