Overdracht niet meer belasten

De verhuisbelasting: dat is de terechte bijnaam van de overdrachtsbelasting die door het kabinet tijdelijk is verlaagd. Dat komt niet te vroeg. De belasting op woningtransacties belemmert doorstroming op de huizenmarkt, zorgt ervoor dat mensen minder makkelijk van baan wisselen en kan zo de woon-werkafstand onnodig vergroten.

De verwachting dat er iets met die belasting zou gebeuren, zorgde de afgelopen maanden voor stagnatie op de woningmarkt. Die ligt er toch al slecht bij door waardedalingen en het aantrekken van de kredietvoorwaarden door de banken. De prop is er nu uit. Voorlopig dan, want de verlaging van de overdrachtsbelasting met 4 procentpunten tot 2 procent geldt vooralsnog voor een jaar. Het is begrijpelijk dat het kabinet, gelet op de eigen begrotingsprojecties, terughoudend is om de belasting permanent te verlagen. Maar zo wordt het probleem wel vooruitgeschoven. De run op woningen komt abrupt tot een einde als deze belastingverlaging ongedaan wordt gemaakt. Dat mag niet de bedoeling zijn.

Het permanent verlagen of het volledig afschaffen van de overdrachtsbelasting neemt een verstoring van de woningmarkt weg. Maar dat is nog niet genoeg.

Het ligt voor de hand om de hypotheekrenteaftrek en andere woonsubsidies ook geleidelijk af te schaffen en dat tegelijkertijd te compenseren met het korten van het huurwaardeforfait en het verlagen van de tarieven voor de inkomstenbelasting. Dat is niet alleen een vereenvoudiging van het fiscale stelsel. Want waarom eerst heffen en daarna weer grootschalig teruggeven? Het zou ook een einde betekenen van de perverse prikkel om particulieren zoveel mogelijk schulden aan te laten gaan.

Dit is kennelijk onmogelijk, omdat de hypotheekrenteaftrek door de huidige coalitiepartijen sinds jaar en dag tot heiligdom is verheven. Dat kan politiek handig zijn geweest – met name het CDA heeft er in de verkiezingscampagnes meedogenloos gebruik van gemaakt – het is wel een flagrant verkeerde voorstelling van zaken.

Een geleidelijke en voorspelbare afschaffing over een zeer lange periode is goed mogelijk zonder dat de woningmarkt daarvan schrikt, en zonder dat er noemenswaardige inkomenseffecten hoeven op te treden. De afschaffing in het Verenigd Koninkrijk sinds het eind van de jaren zeventig laat dat zien.

Het resultaat zou zijn dat de particuliere schulden, die internationaal gezien zeer hoog zijn, afnemen. Dat zou het CDA moeten bekoren. Het resultaat zou tevens zijn dat de Staat zich ook fiscaal verder terugtrekt uit de woningmarkt. Daar kan de VVD toch weinig tegen hebben.