Koffie drinken met verbijsterde Vlamingen

Premier Rutte en minister Schultz praten vandaag met hun Vlaamse collega’s. Wordt het nog wat met de samenwerking na het gedoe rondom de Hedwigepolder?

Vanmiddag gaat premier Mark Rutte (VVD) op de koffie bij zijn Vlaamse ambtgenoot Kris Peeters. Hij wordt ontvangen op het kasteel d’Ursel, in het dorpje Hingene, ten zuiden van Antwerpen. Het statige domein moet beide politici in de stemming brengen voor een onbevangen en positief gesprek.

En dat is nodig, want het besluit de Hedwigepolder in Zeeuws-Vlaanderen toch niet onder water te zetten, heeft de Vlamingen verbijsterd. Officieel staat de netelige kwestie niet op de agenda: de ontmoeting was al eerder gepland.

Beide regeringsleiders praten over de economische kansen van de regio Nederland-Vlaanderen. „Hoe we in de toekomst ons geld verdienen”, is de rode draad. Dan gaat het onder meer over samenwerking om de positie van beider havens te verbeteren.

„Dat ook Hedwige aan bod zal komen, sluiten we niet uit”, zegt een Vlaams diplomaat. „Maar het is ook geen must.” Vlaanderen kijkt de kat uit de boom. De Europese Commissie moet nu beslissen of de alternatieven die Nederland voorstelt voor de ontpoldering van Hedwige aansluiten bij de Europese natuurregels.

Voor de ontmoeting van beide regeringsleiders overleggen op d’Ursel ook Melanie Schultz van Haegen (Infrastructuur, VVD) en haar Vlaamse collega Hilde Crevits. Over een ander voor Vlaanderen „strategisch” dossier: de financiering van de nieuwe zeesluis in Terneuzen, van vitaal belang voor de Gentse zeehaven. Een akkoord over de kostenverdeling (930 miljoen) kan „een mooie opmaat” zijn voor het overleg tussen Rutte en Peeters, klinkt het in Vlaamse diplomatieke kringen.

Ook politiek Den Haag is er zich van bewust dat een akkoord een belangrijk signaal kan zijn. Het zou een bewijs kunnen zijn dat Nederland, ook na het gesteggel rond Hedwige, grensoverschrijdende projecten met Vlaanderen kan afronden.

Dat is geen evidentie. De voorbije jaren hebben Nederland en Vlaanderen aan diverse grote grensoverschrijdende projecten gewerkt: de verdieping van de Schelde, de hogesnelheidslijn Antwerpen-Rotterdam, en de IJzeren Rijn, een goederenspoorlijn tussen Antwerpen en Duitsland, over Nederlands grondgebied. Vaak verliep die samenwerking moeizaam.

Dat de Vlamingen in een aantal dossiers met 19de-eeuwse verdragen zwaaien om hun economische belangen veilig te stellen, maakt de zaak niet eenvoudiger. Een van die oude akkoorden is het Scheidingsverdrag van 1839, dat onder meer de vrije doorgang van Antwerpen naar zee en Rijn regelt.

Pacta sunt servanda, is de stelling van Kris Peeters – afspraak is afspraak. „Maar in anderhalve eeuw tijd is veel veranderd”, zegt een Nederlands diplomaat in Brussel. Hij wijst op EU-richtlijnen en lokale milieuwetgeving. Die maken veel oude afspraken hopeloos complex.

Bovendien leeft het idee dat nationale belangen botsen bij grensoverschrijdende projecten. „Een paradox”, stelt Jochem de Vries, geograaf en planoloog aan de Universiteit van Amsterdam. Het belang van Europese binnengrenzen neemt telkens af.

In 2007 onderzocht De Vries de besluitvorming bij grensoverschrijdende projecten, zoals de diepere Schelde, de IJzeren Rijn en de hogesnelheidslijn (hsl). Dossiers die inhoudelijk weinig met elkaar te maken hebben, stelde hij vast, worden vaak gekoppeld – „iets wat politici overigens meestal ontkennen”. Zo wordt het grensoverschrijdende project „één stuk op het schaakbord van de bilaterale verhoudingen tussen landen”. Vaak is daarbij sprake van een wankel evenwicht, dat eenvoudig kan worden verstoord. „Koppelingen zijn een publiek geheim. Zo wordt eufemistisch gesproken over het hsl-dossier en het Schelde-dossier als ‘parallelle’ besluitvorming.”

Koppelingen zijn een manier om patstellingen te doorbreken, maar ze kunnen ook een project frustreren. Zo hield Vlaanderen de bouwvergunning voor de hsl op om opening van de IJzeren Rijn af te dwingen, en stelde Nederland ondertekening van een Scheldeverdrag uit om Breda in de hsl-dienstregeling te krijgen.

Een ander gevaar, rapporteerden De Vries en zijn medeonderzoekers, is dat grensoverschrijdende projecten politici in staat stellen zich te profileren als „krachtige pleitbezorgers van nationale belangen”. Meestal is dat publieke optreden eerder „olie op het vuur, dan smeerolie voor de onderhandelingen”.

Laat vooral ambtenaren uit het middenveld intensief samenwerken, zeggen de onderzoekers – zij staan „wat verder af” van de ambtelijke en politieke top en zijn „inhoudelijk vaak beter ingevoerd”. En betrek tijdig het parlement bij de onderhandelingen. „Nederlands-Vlaamse projecten spelen zich vanuit Den Haag gezien per definitie af in de periferie.” Voor Vlaamse parlementariërs is de geografische en mentale afstand tot grensoverschrijdende projecten minder groot, aldus de studie.

Of het onderzoeksrapport is gebruikt bij het overleg over de diverse „hoofdpijndossiers”, is onzeker. „Mijn indruk is dat er niet erg veel mee is gedaan”, zegt De Vries.

Eén suggestie eruit – een periodieke Vlaams-Nederlandse ministersconferentie over ruimtelijke vraagstukken – wordt misschien wel werkelijkheid. Het overleg in het kasteel d’Ursel zou een begin kunnen zijn.