Istanbul is een stad van niemand

Hard, romantisch, exotisch. Elke wereldstad heeft zijn eigen imago. NRC Handelsblad gaat deze zomer op zoek naar de werkelijkheid achter het cliché van de wereldstad. Elke week een andere, op deze pagina’s, en op zaterdag in de bijlage Lux. Deze week: Istanbul

June 30, 2011 - Istanbul, Turkey - Author Mario Levi at home in Istanbul, Turkey. (Photo: Charla Jones for NRC Handelsblad)

‘Mario wie?” De portier bij de Yeditepe Universiteit in Istanbul heeft nog nooit gehoord van een van de belangrijkste chroniqueurs van de stad. „Mario Levi? Oh, is hij een buitenlander?”

Welnee, de Levi’s zijn al ruim vijfhonderd jaar in deze stad. Een Joodse familie die diepgeworteld is in Istanbul, die magneet voor migranten en gelukzoekers – de portier zelf is geboren in Sivas, centraal-Anatolië, en dertig jaar geleden meegereisd met zijn werkzoekende vader. En de taxichauffeur? Geboren in Rize, aan de Zwarte Zee. De schoonmaker in de lobby van de letterenfaculteit? Een Koerd uit Mardin. Dit is een stad van nieuwkomers. De Istanbulu bestaat niet.Hier voel je wat Mario Levi bedoelt als hij het belangrijkste sentiment van de stad definieert: „Op deze plek van migranten hangt het alom aanwezige gevoel van verlies. Migratie is het verhaal van verlies. Istanbul is een stad die van niemand is, een stad die niemand kent.”

Istanbul was een sprookje (Turkse titel Istanbul bir Masaldi), heet de 800 pagina’s tellende roman van Levi uit 1999. Let op de verleden tijd in de titel. Istanbul is niet meer het verhaal dat het was. „Het leven van een van de belangrijkste karakters in mijn boek is gebaseerd op het leven van mijn vader. Die werd geboren in 1904 en stierf in 1999. De afgelopen eeuw was de eeuw van mijn vader. En aan het einde van zijn leven vertrouwde hij me toe dat hij zich in Istanbul een vreemdeling voelde. Dat lot dragen wij hier allemaal. En het geeft ons een groot gevoel van verdriet.”

Mario Levi is niet de eerste schrijver die de tristesse van Istanbul waarneemt. Ahmet Tanpinar, de in 1962 overleden schrijver, schreef uitgebreid over de melancholie waarmee de Turk achterbleef nadat hij aan het begin van de vorige eeuw was gedwongen in een rap tempo te moderniseren en te verwesteren. Dat gebeurde in opdracht van Musatafa Kemal Atatürk die zo snel mogelijk de schande van de val van het Ottomaanse Rijk wilde vergeten. Je ziet het aan de bouwlust langs de oevers van de Bosporus. Daar vermolmen de houten villa’s uit de Ottomaanse tijd door weer en wind. Of ze vliegen gewoon in brand, en iedereen kijkt de andere kant op.

Ook Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk houdt in zijn Istanbul, herinneringen en de stad maar niet op over het constant aanwezige gevoel van weemoed. Istanbul dreef op iets groots en dat is verloren gegaan: ‘Natuurlijk zal ook de inwoner van Parijs of Berlijn voelen dat dit niet langer de stad is van veertig of vijftig jaar geleden. Maar in Istanbul zijn de veranderingen meer concreet. En nog meer zichtbaar. Istanbul veranderde sneller dan al die ander steden. We voelen wel dat we hier thuishoren, maar we voelen tegelijk ook spijt. Dat is onze bestemming, ons lot. Wij noemen dat in het Turks hüzün.’

Hüzün – dat woord definieert de ziel van de Turk. Het laat zich moeilijk vertalen en duidt op een intens gevoel van treurnis en melancholie. In het Nederlands komt ‘smart’ er dichtst bij. Amerikanen zouden het de blues noemen. „Dit gevoel komt niet alleen voort uit het verlies van het wereldrijk dat we ooit waren. Of dat Istanbul aan het begin van de vorige eeuw zijn status als hoofdstad kwijtraakte. De ineenstorting van het rijk dreef massa’s mensen terug naar deze stad – uit de Balkan, uit de Arabische provincies. Anderen werden gedwongen te vertrekken, zoals de Grieken.

„Steden als New York en Londen zijn natuurlijk ook vol met nieuwkomers, met mensen die komen en gaan. Maar wie naar zulke steden komt, komt met hoop en grote dromen. Maar wie naar Istanbul kwam, bracht alleen maar verdriet.”

Istanbul was een sprookje, waarin Levi dit gevoel beschreef, kwam uit in 1999. Het einde van een duistere eeuw voor Istanbul, een eeuw van vergane glorie. Inmiddels is Turkije tot een speler van wereldformaat uitgegroeid, met ongekende economische groei. Istanbul is het financiële hart van een land dat stabieler is dan elk van de buurlanden. Je ziet het op straat. Zelfs de altijd sober geklede Turken kicken nu op de wereldmerken in hun blinkende winkelgalerijen.

„Ja, de stad verandert”, zegt Levi. „We zijn economisch sterker, we trekken investeerders aan, we worden belangrijker. Belangrijke steden blijken toch niet onaantastbaar te zijn. Denk aan Alexandrië, denk aan Thessaloniki. Zelfs Parijs is niet meer wat het was. De Franse hoofdstad doet me nu denken aan een museum. Maar Istanbul is op de weg terug. Het wint opnieuw aan belang. Zelfs die voorspoed verlost ons niet van het gevoel van verlies. Misschien wordt het zelfs versterkt door de globalisering. Onze steden worden uniform, ze gaan meer op elkaar lijken. Een tiener in Istanbul eet dezelfde hamburger als een tiener in Seoul, of in Buenos Aires of in Amsterdam. Hij communiceert op hetzelfde Facebook en Twitter, hij draagt dezelfde kleren. Dat is ook verlies.”

Met deze omweg keert hij toch weer terug naar het oude verdriet. Misschien voelt hij, kind van Joodse ouders, dat meer dan ieder ander. In het Istanbul van voor de revolutie van Atatürk die in 1923 de moderne Republiek Turkije stichtte, werden op straat meer dan veertig verschillende talen gesproken. De stad was kosmopolitisch, een thuis voor minderheden als zijn eigen Joodse gemeenschap. In zijn boek gaat Levi op zoek naar die verzonken wereld. De wereld waarin de handelaren in de nauwe steegjes van de stad Jiddisch spraken. Dat is een wereld die hij mist. En toch zal hij het nieuwe Istanbul in het buitenland verdedigen als zijn eigen stad.

„Ik ben misschien wel met de Joodse cultuur opgegroeid. Maar als je opgroeit in een islamitische stad, analyseer je de dingen anders. Ik houd van de Turkse, melancholische muziek. Ik ben een man met westerse ideeën en ik heb westers onderwijs gehad. Maar ik zit vol oosterse gevoelens. Ik ben net zo gespleten als Istanbul.”

Mario Levi doceert zijn studenten in het Frans. Hij publiceert in het Italiaans, in het Spaans en in het Duits. Hij is een globetrotter. Maar Istanbul is zijn thuis, de Bosporus „mijn baarmoeder”.

„Ik vecht ook met Istanbul, ik verzet me tegen het verkeer, het vuil. Ik verwijt haar alles wat we kwijtgeraakt zijn. Maar het is als een verliefdheid. Je kunt je geliefde haten, maar je kunt niet zonder haar en dat weet je. Ben ik in het buitenland dan verlang ik naar mijn taal. Naar mijn terugkeer. Naar de Bosporus. Naar de geur van de vis, de zee.”

Morgen: De beste gids door Istanbul: Ihsan, de taxiprofessor