Het strand was breed, dus het was app

Effe iemand een appje sturen – het is in korte tijd gangbaar Nederlands geworden. Net als: ik zit effe te appen (spreek uit: eppen). Ik app, jij appt, wij appen – het gaat terug op een tool, zoals dat tegenwoordig heet, op de smartphone: WhatsApp, een applicatie om gratis tekstberichten te versturen.

WhatsApp is natuurlijk weer een woordspeling op What’s up (‘Hoe gaat-ie?’), met App als verkorting van application, oftewel applicatie.

Het is wonderlijk om te zien hoe snel app en applicatie ingeburgerd zijn geraakt. Voor de goede orde: het woord applicatie komt al sinds het begin van de 17de eeuw in het Nederlands voor in de betekenis ‘toepassing’. In de betekenis ‘toepassingsprogramma voor een computer’ is het in 1981 voor het eerst opgetekend. Dat het nu door jong en oud wordt gebruikt komt doordat apps opeens niet meer weg te denken zijn.

Heeft deze populariteit ook taalkundige gevolgen? Daar lijkt het op. Vorige week hoorde ik op de radio een gesprek met iemand van Buienradar. Bij een weeralarm (deze aflevering van WoordHoek wemelt tot nu toe van de neologismen) wordt Buienradar nog intensiever gebruikt dan gewoonlijk, vertelde hij. Maar als het ergste noodweer voorbij is, zei hij, dan zie je de belangstelling al snel wegappen.

Ik heb het voor de zekerheid nog teruggeluisterd, maar hij zei het echt: niet wegebben, maar wegappen.

Nu kan het zijn dat hij eigenlijk wegzappen wilde zeggen, maar ik denk het niet (mensen zappen, belangstelling niet). Ebben in de betekenis ‘afnemen, achteruitgaan’ hoor of lees je bijna nooit, wegebben is gangbaarder, maar ebben en appen liggen qua klank dicht bij elkaar, en kennelijk beginnen jongeren ze door elkaar te halen. In een blog meldde een jonge moeder onlangs dat ze in het dictee van haar zoon deze zin had aangetroffen: „Het strand was breed, dus het was app.” Ook wegappen komt op internet voor, maar voorlopig vond ik het alleen in een grapje („Mijn vertrouwen in mijn nieuwe app is aan het wegappen”). Samen met: dan komt de app uit de mouw en app en vloed.

Er zijn nog enkele woorden die in het internettijdperk averij hebben opgelopen. Heel oude mensen – zeg: van boven de veertig – herinneren zich misschien nog dat email een woord was dat je uitsprak als emáj of emálj. Het had niet met elektronische post te maken, maar met een glazuurlaag.

Zo was er ook een tijd dat content te maken had met een gevoelstoestand. Je kon heel content over iets zijn, bijvoorbeeld over een prestatie. Dat kan natuurlijk nog, maar als u opeens wordt geconfronteerd met het woord content, hoe klinkt dat dan in uw hoofd? Als het Engelse cóntent (‘inhoud’) of als het Franse contént (‘tevreden’)? Ik durf er gif op in te nemen dat Engels-inhoud inmiddels een flinke voorsprong heeft op Frans-tevreden, zeker bij iedereen die met computers werkt.

Een en ander heeft natuurlijk ook te maken met persoonlijke omstandigheden. Iemand die veel goochelt, zal niet snel googelen schrijven als hij goochelen bedoelt. En zo zal een doorgewinterde emailleerder email anders lezen dan een fervente emailer of e-mailer, als u me nog kunt volgen.

Tot slot nog twee andere gevallen: e en i. Lang was e simpelweg de vijfde letter van het alfabet, een letter die werd uitgesproken als ee. De i was de negende letter van het alfabet, waar je, als je extra zorgvuldig was, een extra puntje op kon zetten. Inmiddels zijn e en i, al dan niet met koppelteken, letters die in de eerste plaats associaties oproepen met elektronisch, digitaal en internet, getuige een lange reeks woorden als e-goverment, e-learning, e-loket, eBook, iCloud, iPhone en iPad. Bovendien wordt de e nu geregeld als ie uitgesproken, ook in samenstellingen met Nederlandse woorden.

Reacties naar post@ewoudsanders.nl