Het is een luizenpaleis

Voor de gemiddelde westerling lijkt de Turkse schrijver Orhan Pamuk, de Nobelprijswinnaar van 2006, het monopolie te hebben op boeken over Istanbul. Niet alleen schreef hij een van de bekendste persoonlijke geschiedenissen over zijn geboortestad (Istanbul, herinneringen en de stad, 2004), ook situeerde hij er zijn beste fictie. Zoals Het zwarte boek (1990), over een advocaat die op zoek is naar zijn verdwenen vrouw. Het Istanbul waarin de hoofdpersoon rondzwerft, is voor iedere toerist nog herkenbaar.

De vrouwelijke tegenhanger van Pamuk is de al even Istanbulse Elif Shafak. Zij had kritiek op Pamuks Istanbul wegens de rationele, didactische, ‘mannelijke’ blik die eruit sprak. Zelf schreef ze Het luizenpaleis (2005), een tragikomische roman-in-verhalen over de bewoners van een appartementencomplex in verval.

Volgens Geert Mak, die in zijn Boekenweekgeschenk De brug (2007) inzoomde op de Galatabrug over de Bosporus, is het beste boek over Istanbul Aan de oevers van de Bosporus van de veelschrijver-in-ballingschap Irfan Orga (1908-1970). In deze memoires van een man die werd geboren in de nadagen van het Ottomaanse Rijk wordt niet alleen een stad op het breukvlak van Oost en West beschreven, maar ook een periode van overgang in Turkije en de rest van het Midden-Oosten.

Twee beroemde buitenlandse auteurs hebben Istanbul beschreven toen het nog anders heette. Graham Greene schreef Stamboul Train (1926), een klassieke spionageroman die zich afspeelt in de Oriënt-Express. W.B. Yeats liet in zijn gedicht Sailing to Byzantium (1926) een oude man mijmeren over een metaforische reis naar de hoofdstad van de kunst en de sensualiteit.

Tot slot een buitenlands boek dat te leuk is om niet te noemen: Kéréban le têtu (1883, ‘Keraban de stijfkoppige’) van Jules Verne. Het is het vergezochte verhaal van een Hollandse koopman die door een Turkse collega de Zwarte Zee wordt rondgeleid om geld voor de veerpont te besparen, met een belangrijke bijrol voor het Constantinopel van de Ottomanen.