De rechter had Wilders wel moeten veroordelen

De rechter had, op basis van het haatzaaiartikel, geen andere keuze dan Wilders te veroordelen. De vrijspraak wijst op een politiek vonnis, betoogt Meindert Fennema.

In Opinie & Debat van zaterdag 2 juli bepleit Frénk van der Linden eerherstel voor politicus Hans Janmaat. Ik was destijds, in 1997, een van de weinigen die vond dat hij nooit had mogen worden veroordeeld om zijn uitspraak „wij schaffen, zodra wij de mogelijkheid en de macht hebben, de multiculturele samenleving af”.

Janmaat werd veroordeeld omdat hij de gewraakte uitspraak had gedaan in de context van een demonstratie waar „vol is vol” en „Nederland voor de Nederlanders” werd geroepen. Het gerechtshof te Arnhem vond dat Janmaat aanzette tot „discriminatie van mensen wegens hun ras”. Dat achtte het hof strafbaar, op basis van artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht.

Je kunt staande houden dat Janmaat aanzette tot haat, zoals de andere politici dat op hun beurt deden jegens Janmaat, maar zette hij ook aan tot discriminatie van mensen wegens hun ras? Kom nou.

Met de wijsheid van toen zou de rechter nu minister-president Rutte moeten veroordelen. Hij heeft gezegd: „we gaan dat prachtige land weer teruggeven aan de Nederlanders”. Rutte is niet eens aangeklaagd.

Wilders is vrijgesproken – niet van zijn oproep tot het instellen van een kopvoddentaks. Daarvoor kon hij niet worden veroordeeld. Wilders deed die uitspraak immers in de Tweede Kamer. Daar geldt de parlementaire onschendbaarheid.

Die onschendbaarheid moesten we maar snel afschaffen. Het grondwetsartikel inzake de parlementaire onschendbaarheid is ooit ingevoerd om parlementariërs te beschermen tegen de toorn van de Kroon. Het artikel is nooit bedoeld om parlementariërs een vrijbrief te geven om op te roepen tot discriminatie van bevolkingsgroepen. Juist de wetgever mag niet oproepen tot discriminatie. Dat staat bijna aan discriminatie gelijk.

Ook op basis van de bestaande tenlastelegging had Wilders evenwel moeten worden veroordeeld. Je kunt nog wel staande houden dat Wilders buiten het parlement niet direct heeft opgeroepen tot discriminatie van moslims in Nederland. Het eisen van een immigratiestop voor migranten uit moslimlanden is weliswaar discriminatie, maar het is geen strafbare discriminatie in de zin van artikel 137d. De discriminatie heeft geen betrekking op Nederlandse burgers. Het eisen van een bouwstop voor moskeeën zou daarentegen heel goed kunnen worden beschouwd als discriminatie op grond van geloof. Ook daarover kun je evenwel van mening verschillen.

Zeker is wel dat Wilders heeft aangezet tot haat jegens mensen wegens hun godsdienst. Dat de rechtbank dit ontkent, maakt duidelijk dat hier sprake is geweest van politieke rechtspraak, zoals ook in de zaak-Janmaat sprake was van een politiek vonnis.

Nog minder geloofwaardig is de uitspraak van het Openbaar Ministerie en de rechtbank dat Wilders geen „conflictueuze tweespalt” heeft willen zaaien. Een groot deel van het politieke bedrijf is gericht op het zaaien van ‘conflictueuze tweespalt’. Het is vrijwel niet mogelijk om politiek te bedrijven zonder haat te zaaien.

Het gaat veel te ver om mensen te verbieden om andere mensen te haten. Voor mensen die geen onrecht verdragen, is het moeilijk om diegenen die dat onrecht veroorzaken niet te haten. Bijna alle vormen van politieke mobilisatie zijn gebaseerd op – of leiden tot – gevoelens van afkeuring en haat jegens de mensen die worden bestreden. De discussie over ritueel slachten is daarvan een sprekend voorbeeld. Ik ben daarom een verklaard tegenstander van het haatzaaiartikel. Zolang dat artikel nog in het Wetboek van Strafrecht staat, had de rechtbank volgens mij evenwel niets anders kunnen doen dan Wilders veroordelen.

Dat de rechter dit niet graag deed, is begrijpelijk. Toch was het, gezien de formulering van artikel 137d en de jurisprudentie daarover, onvermijdelijk. Een symbolische veroordeling tot een geldboete van één euro was voldoende geweest. De rechtbank had dan kunnen vermelden dat ze, op basis van 137d, niet anders kon dan het vonnis zo te wijzen.

De rechtbank schrijft in haar vonnis: „In de film Fitna komen passages voor die de suggestie wekken dat door de toename van moslims in Nederland gewelddadigheden en criminaliteit zullen toenemen. Daarmee bestaat ook het risico dat deze beelden aanzetten tot gevoelens van haat tegen moslims.” Ik ontkom niet aan de indruk dat de rechtbank de politiek een hoger beroep van Wilders heeft willen besparen. Voor dat doel zijn de rechters niet aangesteld.

Dit vonnis laat niet alleen zien dat Hans Janmaat destijds ten onrechte is veroordeeld, het laat ook zien dat artikel 137d onvermijdelijk aanleiding geeft tot politieke rechtspraak. Daarom roep ik de Tweede Kamer op om zo snel mogelijk over te gaan tot een wetswijziging.

Aanzetten tot geweld en aanzetten tot discriminatie moeten naar mijn mening strafbaar blijven. Het aanzetten tot haat moet daarentegen zo snel mogelijk verdwijnen uit het Wetboek van Strafrecht.

Wilders heeft ooit gezegd dat een groot deel van de Nederlanders het geloof in de rechtspraak zou verliezen als hij zou worden veroordeeld. Ik vrees dat dat ook geldt nu hij is vrijgesproken. Dat komt ervan als de rechter wordt gedwongen tot politieke oordelen.

Meindert Fennema is hoogleraar politieke theorie aan de Universiteit van Amsterdam en schrijver van Tovenaarsleerling, de biografie van Geert Wilders (Bert Bakker, 2010).