Alles is te koop op de oude 'dievenmarkt'

Correspondenten speuren deze zomer rommelmarkten af naar nationale trauma’s, passies of obsessies.

In Delhi toont de markt de kloof tussen arm en rijk.

Delhi is een paradijs voor ambachtelijke snuisterijen, even kleurrijk als India zelf is. Prachtig versierd aardewerk en serviesgoed, kleedjes en kleding met ragfijne borduurseltjes, kralen en kettingen van zilver en nepzilver, tassen en shawls – het is maar een kleine greep uit het overdadige aanbod dat de hoofdstad biedt.

Toeristen kopen hun souvenirs bij het Crafts Museum, op de door de overheid beheerde markten van Emporium en Dilli Haat of in de winkeltjes langs Janpath of bij Connaught Place. Bij de meer luxe winkels van Khan Market en Hauz Khas Village komen welvarende Delhiïeten en expats. Zij doen hun inkopen ook in de moderne winkelcentra die de afgelopen jaren overal in de stad zijn verrezen. Hun auto’s worden ondergronds geparkeerd. Airconditioning houdt de hitte buiten en in de passages op de verschillende verdiepingen ruist onophoudelijk muziek op de achtergrond.

Daar ligt een scherpe grens. De ‘gewone’ man en vrouw halen hun dagelijkse boodschappen dicht bij huis. Elke buurt heeft wel een kleine of grotere markt, sommige verborgen achter nauwe steegjes. De meeste buitenstaanders rijden eraan voorbij. Dat geldt niet voor de honderden rommelkraampjes aan de rand van de Oude Stad bij de Grote Moskee en tegenover het Rode Fort. Daar raak je gemakkelijk verdwaald te midden van de krioelende mensenmenigte op zoek naar goedkope horloges, schoenen, elektronica, T-shirts, broeken, riemen, huishoudelijke spulletjes en sieraden. De ‘dievenmarkt’ werd dit vroeger genoemd.

De Oude Stad heeft grote aantrekkingskracht, ook op toeristen. Rekha heeft deze zondagochtend een stil plekje uitgezocht op de stoep van een lege achterafstraat in de buurt van Ajmere Gate. Ze verkoopt tweedehands kleding en doeken. Die hebben zij en haar man opgehaald door langs huizen te gaan. Alles is gewassen, scheuren en rafelrandjes zijn met de naaimachine gerepareerd. Het heeft afgelopen nacht flink geregend, ze heeft een stuk plastic op de grond gelegd om haar handelswaar tegen de modder te beschermen. Een dikke bundel moet ze nog uitpakken, maar twee bedrukte kussenovertrekjes heeft ze al uitgestald. „10 of 20 rupee. Maar omdat jij het bent, zou ik wel eens 50 rupee (80 cent) kunnen vragen”, zegt ze lachend. „Zeker als je ook nog een foto wilt nemen.”

Rekha (30) en de andere verkoopsters die komen aanwandelen met zakken op de rug, behoren tot het miljoenenleger van arme, meest landloze migranten die vanuit alle uithoeken van India naar de hoofdstad zijn getrokken in de hoop er een bestaan op te bouwen. Rekha was nog een kind toen ze met haar ouders uit een dorpje in Gujarat, in het westen van India, vertrok. Op haar vijftiende was ze al getrouwd en had ze al een dochter. Die wil ze dat lot niet aandoen. Haar dochter moet zeker nog drie, vier jaar wachten voordat ze mag trouwen. Intussen moet ze thuis een oogje in het zeil houden en op haar drie andere kinderen passen die nog naar school gaan.

Rekha klaagt niet. Maar heel veel verdient ze niet, zegt ze. Soms 300 rupee op een dag, soms 500. Elke ochtend staat ze om vijf uur op. Om hier te komen heeft ze meer dan een uur in een riksja gezeten. Dat kost ook al gauw 150 rupee. Dat bedrag moet ze van haar verdiensten aftrekken. Maar alleen op zondag. Door de week verkoopt ze haar spullen bij haar in de buurt, in het noorden van Delhi. Liever zou ze ook tegenover het Rode Fort bij de Oude Stad staan. Daar is veel meer aanloop. Maar daar is geen plekje meer vrij. „Je moet geld betalen om daar te kunnen verkopen. En je wordt lastig gevallen door de politie die smeergeld wil hebben. Hier heb ik daar geen last van.”

Toeristen en welvarende burgers kopen niet bij Rekha. Haar klandizie komt uit de omringende buurten en behoort net als zij tot de onderkant van de Indiase samenleving. Alleen de oprukkende hoogbouw van kantoren even verderop duidt op de hoge economische groei van India. Juist dat beeld scherpt de tweedeling aan. Nazir Ahmed (40) en zijn collega’s slapen bijvoorbeeld ’s nacht op de fietsriksja's waarmee ze overdag hun brood verdienen. „Als het regent, trekken we een stuk plastic over ons heen.”

Ahmed houdt een grijs versleten overhemd omhoog. 40 rupee vraagt Rekha. Ahmed gaat akkoord. „Hier kan ik nog een maand mee doen. Dan gooi ik het weg en koop ik weer een ander”, zegt hij. Vijftien jaar geleden kwam hij vanuit Bihar, in het oosten van India, naar Delhi. Zo’n beetje elke vier maanden gaat hij terug naar zijn dorp waar zijn moeder, zijn vrouw en zijn vijf kinderen wonen. Hij leeft uiterst sober. Daardoor kan hij elke twee maanden 4.000 tot 5.000 rupee naar huis sturen.

„Als er een fabriek in Bihar zou staan, zouden we daar gaan werken. Maar er is geen fabriek”, zeggen de mannen. Ze berusten in hun lot. „Wij behoren nu eenmaal tot de arbeidersklasse. Waarom zouden we boos moeten zijn.”