Moet de overheid de kwaliteitsjournalistiek redden?

 American journalism is in an existential crisis. Die vaststelling is lang niet nieuw, maar daarom niet minder waar. En met die zin opent het stevige boek van twee Amerikaanse professoren, dat de wel erg duistere titel meekreeg Will the last reporter please turn out the lights: the collapse of journalism and what can be done to fix it.
 
Het boek ─ bestaande uit 32 soms al eerder gepubliceerde essays ─ is de afgelopen weken een van de meest besproken publicaties aan Amerikaanse scholen voor journalistiek en bij de koffieautomaten van zowat alle Amerikaanse krantenredacties.
 
Want de crisis in de Amerikaanse krantenjournalistiek mag dan enkele decennia oud zijn, in 2007 werd duidelijk dat de grote krantenconcerns in de VS reuzen op lemen voeten zijn en sindsdien diept de crisis zich uit at breakneck speed.
 
Oplages dalen, inkomsten verminderen, lezers lezen minder lang in de krant, kranten hebben minder gezag.
De voorbije kwart eeuw werd een vierde van alle banen in Amerikaanse redacties geschrapt, onderzoeksjournalistiek en buitenlandjournalistiek dreigen te verdwijnen, kranten besteden minder geld en ruimte aan wetenschap, muziekkritiek en boekenrecensies. En het lijkt er voorlopig ook niet bepaald beter op te worden. ‘De VS, en elk land ter wereld in mindere of meerdere mate, staat voor een fundamenteel probleem: hoe creëren we leefbare en onafhankelijke media, of hoe beelden we ons in hoe de wereld eruit ziet zonder de vierde macht?’
 
Maar is dat alles erg? De ineenstorting van de dagbladjournalistiek is wel degelijk een probleem, schrijft Eric Alterman in zijn bijdrage. Want sedert de allereerste krant in 1721 in Amerika verscheen, ‘hebben de dagbladen, meer dan gelijk welk ander medium, die informatie ter beschikking gesteld die de natie verlicht heeft’. Alterman, die in The New Yorker drie jaar geleden zijn opmerkelijke essay The Death and Life of the American Newspaper schreef, is ronduit pessimistisch over de vraag hoe dat ‘licht nog kan schijnen’ in een op het internet gebaseerde nieuwscultuur.
 
Zijn die blogs en internetsites dan niet de natuurlijke opvolgers van de ‘dode bomen’? Het is een lovely fantasy om te denken dat het internet ‘het gat heeft gevuld’, betogen verschillende schrijvers in het boek.
 
Want op al die sites en blogs mogen opinies wild bloeien, van echt veel verslaggeving ─ laat staan van grondig en zorgvuldig onderzoek ─ is geen sprake. ‘Soms’, merkt een van de auteurs terecht op, ‘bestaan deze commentaren uit originele perspectieven en argumenten, maar vele ervan lijken meer op de graffiti op de muren van wc’s.’
 
Wees niet zo zelfvoldaan, roept Janine Jackson de klassieke journalisten dan weer toe. En sla jezelf maar niet al te zeer op de borst. De internetbubbel? De opwarming van de aarde? De financiële crisis? De invasie in Panama? De oorlog in Irak? Toch allemaal dossiers waar grote nieuwsorganisaties niet echt trots op kunnen zijn…
 
Maar goed, wat moet er dan gebeuren om de kwaliteitsjournalistiek te redden. Vele auteurs in deze bundel scharen zich achter wat Lee C. Bollinger ─ lid van de raad van bestuur van de Washington Post en voorzitter van Columbia University ─ eerder dit jaar nadrukkelijk zei: een ingreep van de overheid.
 
In een Amerikaanse maatschappij en perswereld die nog veel meer dan in Europa argwanend en zelfs vijandig staat ten opzichte van die overheid is dat vloeken in de kerk. Maar toch. Zoals de overheid een rol te spelen heeft in de openbare gezondheid of de publieke financiën, moet de overheid erover waken dat de kwaliteitsjournalistiek kan blijven floreren. Dat die journalistiek het als een van haar belangrijkste taken ziet om diezelfde overheid te controleren kan dan paradoxaal lijken, maar nood breekt wet.
 
Want, schrijft Pickard, 1. Journalistiek is essentieel voor de democratie. 2. De reclame die het systeem 150 jaar ondersteunde, doet het niet meer. 3. Er zijn geen nieuwe commerciële of non-profitorganisaties die traditionele media vervangen. Dus moet de overheid optreden.
 
‘We moeten beseffen dat journalistiek een voorwaarde is voor democratie en ook dat de markt de journalistiek van de toekomst niet zal redden. We moeten dus overheidsgeld spenderen’, aldus Robert McChesney en John Nichols. Die er zelfs niet voor terugschrikken om het idee te promoten dat de overheid de helft van alle journalistensalarissen zou moeten betalen. ‘Een investering van 1,25 miljard dollar ─ een fractie van wat de overheid een eeuw geleden betaalde in subsidies voor de distributie van kranten’.
 
Anderen zoeken nadrukkelijk hun heil in filantropische steun van non-profitorganisaties (een model dat overigens dicht aansluit bij dat van de Britse The Guardian ─ de krant lijdt zware verliezen maar die worden gecompenseerd door winsten uit andere activiteiten) of in samenwerking tussen universiteiten en kranten.
 
Een van de organisaties waarnaar geregeld verwezen wordt, is ProPublica, dat zichzelf omschrijft als een ‘onafhankelijke, non-profit nieuwsorganisatie die onderzoeksjournalistiek produceert voor het algemeen belang’. Maar met slechts enkele tientallen journalisten in dienst wordt ProPublica, gefinancierd door stichtingen en particulieren, door sommigen ook weggezet als ‘een druppel op een gloeiende plaat’.
 
Op het einde van de rit maakt het boek een wat wanhopige indruk. Terwijl we toch, als we eerlijk zijn, moeten toegeven dat we er niet in zijn geslaagd om onze kranten zo goed en aantrekkelijk te maken dat onze lezers en adverteerders massaal blijven. Integendeel: die keren ons de rug toe. En nu moeten de overheid en rijke filantropen ons redden. Ik mis dus vooral de zelfkritiek van de vierde macht in dit verder overigens mooie boek.
 
 
Will the last reporter please turn out the lights: the collapse of journalism and what can be done to fix it. Edited by Robert W. McChesney and Victor Pickard. The New Press. New York, London, 2011.