Demonstreren voor Leo en Tineke

Leo gooit zijn armen in de lucht en schreeuwt. Kom op, roept hij naar mij: schreeuwen! Ik gooi mijn mond wijd open, Leo steekt zijn duim omhoog. We staan op het modderige Malieveld in Den Haag waar duizenden mensen vandaag demonstreren tegen de bezuinigingen op de GGZ. Eergisteren stond ik hier ook, aan de andere kant van het veld, tussen protesterende kunstenaars en kunstliefhebbers. Het gaat niet alleen om de kunst, riepen we, maar om de manier waarop dit kabinet omgaat met alles wat niet direct geld oplevert. Dus nu sta ik hier, naast Leo, die mij net vertelde dat hij al twintig jaar stemmen hoort en straks tweehonderd euro meer moet betalen voor zijn medicijnen. Een tientje voor elke stem, grapt hij zuur.

Leo liep op mij af toen ik het veld opkwam. Hij wees naar het kruis dat ik met tape op mijn jas plakte. Wat betekent dat? Ik zei dat dat het symbool was van de protestactie maandag, dat ik graag wil laten zien dat ik solidair ben.
Solidair met mij? vroeg Leo, terwijl hij me van top tot teen bekeek. Ik knikte. Hij vond het een ouderwets woord, maar als ik solidair wilde zijn had hij daar niets op tegen. Graag zelfs.

Op het podium wordt een lied ingezet. ‘Oh oh Den Haag, de cliënt wordt niet begrepen’.
Mensen staren naar het kruis op mijn jas, herkennen het waarschijnlijk van het protest op maandag dat uitgebreid in de media was. Misschien was het een slecht idee, die tape. Misschien denken ze dat ik een demonstratie-junk ben. Op het podium vertellen patiënten onder luid applaus hoe dramatisch de bezuinigingen hun leven zullen veranderen en even voel ik me Edward Norton in Fight Club, die kerngezond praatgroepen voor zieke mensen afgaat.

Gelukkig ben ik niet de enige serie-demonstrant. Op het veld staan her en der mensen met tape op hun kleding. Vooraan bij het podium wapperen zwarte vlaggen met het witte kruis tussen de spandoeken. Een vrouw in een rolstoel tikt mij aan en wijst vragend naar mijn jas. Dat is een kunstenaar, schreeuwt Leo naar haar. Dan sta je op de verkeerde demonstratie zegt de vrouw verbaasd. Ongemakkelijk pluk ik aan de tape. Leo schiet me te hulp. Samen staan we sterk, roept hij. De vrouw knikt en stelt zich voor als Tineke. En je bent voorlopig niet van me af, want mijn rolstoel zit vast in de modder. Ze zegt dat het goed is dat ik er ben, omdat duizenden mensen die de dupe gaan worden te ziek zijn om hier te staan. Leo lacht naar mij, Tineke slaat me vriendschappelijk op de rug en ik ben gerustgesteld. Ik ben geen Edward Norton. Ik ben een bezorgde burger die steun betuigt. Voor Leo en Tineke en de duizenden thuisblijvers.
Terwijl minister Edith Schippers luidkeels wordt uitgejoeld loop ik naar wat collega-kruisdragers aan de rand van het veld. Een groep trommelende demonstranten danst enthousiast om ons heen.

En dan staat een mevrouw van de organisatie naast mij. Ze kijkt ongerust. De politie is met haar komen praten. Ze wil ons ‘met klem’ verzoeken geen overlast te veroorzaken. Een paar meter verderop staat een groep agenten ons in de gaten te houden. Ongelovig kijk ik haar aan. Ik ga er verder niet op in, zegt ze zenuwachtig en loopt snel weg. Leo en Tineke zijn verdwenen in de massa. De trommelaars trekken zich terug. Vanaf het podium kijkt de vrouw van de organisatie mij argwanend aan. Ik draai me om, loop met een groepje kruizen het veld af, gevolgd door een agent. Onderweg naar het station vraagt een ME-er of hij zo’n ‘piratenvlag’ mag hebben. Voor de trofeeënkamer.