We moeten weer leren discrimineren

Het dogma van de gelijkheid vormt de grondslag van de democratie. Maar velen zijn niet in staat er ook de schaduwzijden van te zien, of die zelfs maar voor mogelijk te houden, stelt Bart Jan Spruyt. Te vaak worden zaken over één kam geschoren.

I

In het klassieke (prechristelijke) denken was gelijkheid niet iets wat de democratie schraagde, maar juist iets wat haar kon bedreigen. Om een democratie in goede banen te leiden, moest er aan bepaalde culturele voorwaarden voldaan zijn, vonden filosofen als Plato en Aristoteles, een historicus als Polybios en een staatsman als Cicero. Mensen moesten niet alleen maar leven in het hier en nu en in dat leven de maximale vrijheid voor zichzelf opeisen om te kunnen doen wat ze wilden en te kunnen zeggen wat ze wilden. Vrijheid, het recht om te doen wat we behoren te doen, was dus moreel begrensd. Fatsoenlijk taalgebruik behoorde ook tot die voorwaarden. Wanneer we overmoed gaan prijzen als dapperheid, en voorzichtigheid en gematigdheid als lafheid, wanneer we, kortom, onmatigheid prijzen en de gulden middenweg laken, dan zijn we op het verkeerde spoor. Mensen moesten dragers zijn van een traditie. Dat wilde zeggen: ze moesten de geschreven wetten niet alleen uit angst voor vergelding gehoorzamen maar vanuit de ongeschreven wet der natuur in hun hart alle overtredingen van de wet willen vermijden. Ze moesten respect en eerbied hebben voor hun ouders en voorouders. Ze erfden van hen immers een samenleving en de bijbehorende waarden en spelregels en die moesten ze bewaren, koesteren en als stamhouders aan een volgend geslacht doorgeven. Ze moesten leven in het besef van de aanwezigheid van het sacrale, een bovennatuurlijke, religieuze wereld.

Het is niet moeilijk in te zien dat al deze voorwaarden nauw met elkaar samenhangen. Vaders en leraren zullen alleen dan op gelijke voet met hun zonen en leerlingen gaan verkeren wanneer zij letterlijk eigenlijk niets meer te vertellen hebben, niet meer iets hebben geërfd dat zij aan een volgend geslacht willen doorgeven. Als het doorgeven van een traditie, van waarden en regels, een voorwaarde is voor het goed functioneren van een volksregering, dan is hiërarchie (in tegenstelling tot gelijkheid) een levensvoorwaarde voor democratie, en dient elke poging tot nivellering als levensgevaarlijk te worden vermeden.

II

Ook de Plato van de negentiende eeuw, Alexis de Tocqueville (1805-1859), heeft gewaarschuwd voor de schaduwzijden van gelijkheid. Als aristocraat accepteerde hij de moderne, democratische samenleving. Hij geloofde ook dat die samenleving de uitkomst van Gods providentie was en dat die samenleving rechtvaardiger was omdat zij een einde maakte aan de oneerlijke standsongelijkheid uit de voorafgaande periode van het Ancien Régime. Maar aan het moderne principe van de égalité, de ‘standsgelijkheid’, kleefden ook bezwaren. Gelijkheid biedt kansen. Anders dan in de oude wereld ligt in de moderne wereld de identiteit en toekomst van burgers niet al bij hun geboorte vast. Wie als een dubbeltje wordt geboren, kan een kwartje worden of meer. Als dat niet lukt, is dat een kwestie van eigen schuld. Het ideaal van de gelijkheid creëert dus een revolutie van stijgende verwachtingen. Iedereen wil vooruitkomen, er beter op worden, de sociale ladder beklimmen. Dit individualisme leidt er gemakkelijk toe dat mensen zich alleen nog maar op hun eigen leven concentreren en zich in het private domein terugtrekken. Voor taken en verantwoordelijkheden op het publieke terrein (zoals de zorg voor armen en zieken) hebben mensen steeds minder belangstelling. Er blijft dan maar één instantie over die alle maatschappelijke problemen kan aanpakken: de staat. De keerzijde van het gelijkheidsideaal en het daaruit voortvloeiende individualisme en egocentrisme is dus een grote, alles bedisselende overheid, die als een herder waakt over de verstrooid levende schapen. Een zachte, milde despotie noemde Tocqueville dat, maar deze vorm van despotie kan omvattender en verlammender zijn dan oude vormen van harde despotie. Deze moderne welvaartsstaat reduceert elke natie immers tot „een kudde schuchtere dieren”, behandelt mensen als kinderen en zorgt ervoor dat zij kinderen blijven en nooit volwassen en onafhankelijk van de hulp van de staat zullen worden.

III

Behalve door dit milde despotisme wordt de democratie nog door een andere dictatuur bedreigd: de tirannie van de meerderheid. De meerderheid kan de rechten en belangen van minderheden vertrappen, en haar mening – de publieke opinie – kan individuele mensen tot slaven maken, en hun geestelijke onafhankelijkheid kapotmaken door de psychologische druk zich aan de groep aan te passen of anders in ieder geval te zwijgen.

Omdat democratie, als gevolg van het onderliggende principe van de gelijkheid, tot dergelijke vormen van onvrijheid kan leiden, bezag Tocqueville de onweerstaanbare komst van de moderne democratie ook met schrik – hoezeer hij ook begreep en billijkte dat die regeringsvorm ons lot was. In zijn indrukwekkende voorwoord schrijft Tocqueville dat hij zijn boek over de democratie heeft geschreven „onder de indruk van een soort religieuze schrik die in de ziel van de schrijver werd gewekt door de aanblik van deze onweerstaanbare revolutie die al eeuwenlang, alle obstakels ten spijt, oprukt en die men ook vandaag nog ziet voortschrijden te midden van de ruïnes die zij heeft veroorzaakt”.

IV

Van die huiver is onze tijd weinig meer over. Integendeel. Het principe van de gelijkheid is een activistisch geloofsartikel geworden dat het regeringsbeleid volledig doortrekt bij de pogingen van de overheid groepen te emanciperen en alles zoveel mogelijk gelijk te schakelen. Gelijkheid is geworden tot een taboe op het maken van onderscheid. Is dat terecht en verstandig?

In de naam van de emancipatie en de strijd tegen discriminatie is de strijd aangebonden tegen verenigingen en scholen. Een politieke partij die vrouwen al ruim 90 jaar niet op de eigen lijsten wil kandideren, een kerk die al 2000 jaar het sacrament weigert aan mensen die zich niet in ‘de staat der genade’ bevinden en dat vorig jaar zomer ook nog deed (de ‘hostierel’), en scholen voor bijzonder onderwijs die al 100 jaar hun eigen ‘onderwijzers’ mogen aanstellen, hebben te horen gekregen dat de staat weliswaar geen religie aanhangt maar wel waarden heeft (bedoeld wordt: de waarde van het niet discrimineren) en dat die christelijke scholen, die SGP en die Rooms-Katholieke Kerk zich wel aan de waarden van de huidige seculiere meerderheid moeten houden, ook al staat in de Grondwet dat zij dat niet hoeven te doen. Ook nu nog dus vormt het ideaal van de gelijkheid een aanslag op de vrijheid (en blijkt dat de idealen van de Franse Revolutie innerlijk tegenstrijdig zijn).

Wat de gelijkheidsdrijvers willen is dus onterecht, want ongrondwettig. De Grondwet is er niet om gelijkheid op te leggen maar om diversiteit binnen zekere grenzen te waarborgen. Hun drijven is bovendien hoogst onverstandig omdat we zuinig moeten zijn op christelijke scholen, op een partij die een duidelijke representant van een aanzienlijk en fatsoenlijk deel van de samenleving is, en van een kerk die drager is van een geloofstraditie die van onschatbare waarde geweest is en nog altijd is voor onze cultuur.

Nog onverstandiger, en zelfs gevaarlijk, wordt het wanneer het gelijkheidsprincipe elke zinvolle discussie zo goed als onmogelijk maakt. Laten we even ademhalen en beginnen bij het befaamde hoofddoekjesdebat. Elke keer weer duikt er wel iemand op in dat debat die met een meewarige glimlach om zijn/haar mond komt beweren dat Nederlandse vrouwen tot in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw allemaal een hoofddoek droegen. Dus waar hebben we het over?

Dat Nederlandse vrouwen die hoofddoek niet vanuit religieuze overwegingen droegen, maar omdat het in de mode was of praktisch in de huishouding, terwijl moslima’s een hoofddoek kunnen dragen om daarmee de superioriteit van het islamitische geloof en de inferioriteit van de westerse beschaving uit te drukken, blijft dan buiten beschouwing. En de noodzaak en het belang om zo’n hoofddoekjesdebat wel degelijk te voeren wordt dan weggedrukt.

Omdat alle religie religie is, kunnen alle religies in Nederland op twee manieren over één kam worden geschoren: alle religie is goed of alle religie is slecht. Een nieuwe en hoogst merkwaardige argumentatie presenteren de kerk- en godlozen dezer dagen: alle religie is intrinsiek gewelddadig.

De classicus Gerard Koolschijn presenteerde een jaar geleden een nieuwe vertaling van Paulus’ brief aan de Romeinen. Zijn vertaling was bedoeld om aan het licht te brengen hoe „rauw en duister” Paulus eigenlijk was en dat „intelligente gelovigen” diens „rare boodschap”, vastgelegd in warrige en verwarde teksten, niet meer zouden moeten geloven.

Waarom wil Koolschijn juist nu dit tegengeluid laten horen? Omdat, aldus Koolschijn, Paulus’ ‘soort’ sinds 11 september 2001 „weer geweldig van zich doet spreken”. „Er zijn weer mensen die anderen de verschrikkelijkste dingen aandoen op grond van een krankjorume overtuiging uit een heilig boek […] Door waanideeën offeren gelovigen zichzelf op om anderen te doden.” En we moeten niet denken dat zulke dingen alleen binnen de islam en in het Midden-Oosten gebeuren. Onze eigen premier is gereformeerd! Als zodanig reist hij mee op „de kar van het agressieve fundamentalisme”, die ooit door Paulus aan het rijden is gebracht. Dat „agressieve fundamentalisme” bestaat dan uit een specifieke vorm van geweld: een radicale afwijzing van het leven („het enige leven dat we hebben”), de „totale verwerping van de schepping in dienst van een hersenschim”. Als Paulus’ fundamentalistische volgelingen nu maar in hun binnenkamer bleven om zichzelf daar voor de gek te gaan zitten houden – maar nee, ze krijgen in Nederland zelfs subsidie om op scholen kinderen af te leren hun verstand te gebruiken. „Wat een vernietiging en misvorming hebben ze op hun geweten!”

Dit denken heeft zijn hogepriester gevonden in de Leidse hoogleraar Paul Cliteur, die in zijn recente werk betoogt dat alle vormen van monotheïsme intrinsiek gewelddadig zijn en daarmee potentieel terroristisch en dat de staat daarom een strikt seculiere orde moet handhaven.

Het echte geweld komt ondertussen uit de hoek van de seculiere ideologieën. Uit de overzichten die Europol jaarlijks publiceert over het terrorisme in Europa wordt duidelijk dat niet islam of christendom het probleem zijn, maar rechts-radicale en (vooral) links-radicale groeperingen. Als Cliteur gelijk zou hebben gehad, moest het mogelijk zijn een indrukwekkend rijtje met christelijke aanslagen te laten zien. Maar de poging van de KRO om de film Fitna van Geert Wilders te bestrijden met een documentaire over christelijk geweld mislukte jammerlijk door een gebrek aan voorbeelden. Maar geloof is geloof, in de optiek van de goegemeente, en over het intrinsiek gewelddadige van sommige varianten van de islam mag je het dus niet hebben zonder ook driewerf in de richting van het christendom te spuwen. Of dat het debat erg veel verder helpt, is natuurlijk weer een andere vraag.

Dat godsdienstrelativisme heeft een goed debat over de rituele slacht al evenzeer onmogelijk gemaakt. Joden doen dat – dat ritueel slachten – al eeuwen en niemand heeft er ooit iets van gezegd of er zich druk om gemaakt (behalve de Duitsers tijdens de bezettingsjaren). Nu bijna een miljoen moslims het ook doen, maar een slechtere slagersopleiding hebben, minder goed geslepen messen en veel meer koeien slachten dan de 2.500 die de Joden jaarlijks slachten, heeft de Partij voor de Dieren het argument van het dierenwelzijn ingezet om de rituele slacht te verbieden. De gelijkheidsdril laat het argument niet toe dat de halal slacht is toegestaan wanneer die koosjer wordt uitgevoerd. Met als gevolg dat de godsdienstvrijheid wordt aangetast van een groep mensen die van die vrijheid geen misbruik heeft gemaakt.

Ik voer hier uiteraard geen pleidooi om de ene godsdienst als zodanig achter te stellen bij een andere in haar publiekrechtelijke erkenning. Maar als het gelijkheidsdenken ertoe leidt dat het niet mogelijk is om de problematische aspecten van een geloof, of van een bepaalde stroming binnen dat geloof, expliciet en afzonderlijk aan de orde te stellen zonder – ter verontschuldiging of zo – alle religie als zodanig aan de kaak te stellen, leidt het dogma van de gelijkheid ons tot onterechte en onverstandige positiekeuzes.

Wanneer idealen zich in een ideologie vertalen, kan die levensovertuiging haar aanhangers het zicht op de werkelijkheid ontnemen. De werkelijkheid wordt overtrokken door een waas die alle verschillen aan het oog onttrekt. Het gevolg van een politiek die alles over één kam scheert en alle rechten en vrijheden subordineert aan het principe van de gelijkheid, is een tekort aan hiërarchie, die in een democratie noodzakelijk is (Plato), is onvrijheid door het milde despotisme van de moderne staat en de tirannie van een (toevallige, seculiere) meerderheid (Tocqueville), of een grauwe floers over de werkelijkheid, die verschil veroordeelt en een goede discussie en goed beleid onmogelijk maakt. Om vrijheid in stand te houden, moeten we weer leren discrimineren, onderscheid maken, ‘het snode van het kostelijke onderscheiden’, en in ongelijke gevallen ook een ongelijke behandeling voorstaan.

Bart Jan Spruyt is voorzitter van de conservatieve Edmund Burke Stichting. Dit artikel verschijnt volgende week ook in het nieuwe themanummer van Christen Democratische Verkenningen dat aan ‘Gelijkheid’ is gewijd.