Sarkozy? Cameron? Een beetje naïef

De Franse president is al voor heel wat uitgemaakt, maar naïef? En dan nog wel door een Néderlandse minister van Defensie?

Ook de Britse premier zal ervan hebben opgekeken dat hij opeens als naïeveling werd weggezet. Je zal het maar te horen krijgen van de man die nog voor de Libische oorlog goed en wel begonnen was, al een helikopter moest achterlaten op het strand van Sirte, omdat hij dacht dat hij Gaddafi wel even te slim af kon zijn.

Natuurlijk had Hans Hillen woensdag in Brussel Sarkozy en Cameron in het vizier. Hij noemde „mensen die dachten dat het gooien van een paar bommen zal leiden tot het vertrek van Gaddafi” meewarig „een beetje naïef”. Dutch minister says some allies were ‘naive’, meldde het persbureau Reuters. Namen had Hillen niet genoemd, maar op wie anders kan hij gedoeld hebben dan het Frans-Britse tweetal dat vanaf het begin de drijvende kracht achter de oorlog tegen Gaddafi was?

In maart al had Hillen zijn geringe enthousiasme voor de oorlog laten blijken. Toen de VN-Veiligheidsraad de resolutie had aangenomen die een militaire interventie mogelijk maakte, rolden de Fransen, de Britten en de Amerikanen meteen hun bommenwerpers uit de hangar. Maar Hillen sprak de woorden „Ik zeg niet vanzelfsprekend: huppekee erin” – in al zijn plompe behoedzaamheid een oer-Hollands antwoord op het alea iacta est van de ceasars in Parijs en Londen.

Huppekee, dat is helemaal de impulsieve Sarkozy. De president die aan één gesprek met de glamourfilosoof Bernard-Henri Lévy genoeg had om de Libische opstandelingen formeel te erkennen – waa rmee hij zelfs zijn eigen minister van Buitenlandse Zaken volkomen verraste. En huppekee, dat is ook die minister van Buitenlandse Zaken zélf, Alain Juppé, die in maart nog dacht dat de klus zo geklaard zou zijn en dat het de coalitie hoogstens dagen of weken zou kosten om de troepen van Gaddafi te verslaan, „maar geen maanden”. Inmiddels is de NAVO dik drie maanden bezig. Dus naïef, daar zit wel wat in.

Hillen is niet van huppekee. Hij is meer van eerst tot tien tellen. Hij wil dat we beter nadenken voor we aan een militaire operatie beginnen. De NAVO moet scherper kiezen, zei hij in Brussel. De NAVO moet aan de bak „als onze belangen in gevaar zijn”, maar het bondgenootschap kan niet de missionaris uithangen en overal ieder onrecht bestrijden. In Libië zou het „er om moeten gaan hoe we burgers beschermen, niet om een dictator te verjagen”.

Verstandige woorden, die ook doordrongen in Den Haag. Maar daar leidden ze niet tot herbezinning op de oorlog in Libië. De Tweede Kamer wilde vooral weten of het kabinet nu niet met twee tongen sprak, of Hillen geen afstand had genomen van het beleid van collega Rosenthal van Buitenlandse Zaken.

Geen sprake van, lieten de bewindslieden de Kamer per omgaande weten in een gezamenlijke brief. En overigens, schreven ze in dezelfde brief, „wij onderstrepen hierbij nogmaals dat het kabinet geen principiële bezwaren heeft tegen deelneming aan de air to ground-operaties”. Lees: als de secretaris-generaal van de NAVO ons straks komt vragen of we in Libië willen meedoen aan het bombarderen, dan zouden we best wel eens ‘ja’ kunnen zeggen.

En die bedenkingen van Hillen dan? De NAVO moet zich van hem beperken tot de bescherming van burgers – maar is niet voor iedereen zichtbaar dat de NAVO veel verder gaat, en in feite partij is in een burgeroorlog en hard werkt aan de omverwerping van het regime? En gebeurt dat echt omdat in Libië „onze belangen in gevaar zijn”?

Hillen werpt serieuze bezwaren op tegen de oorlog, en het gemak of de naïviteit waarmee de NAVO er in is gestapt. Maar zijn opmerkingen zijn tegelijk gratuit, want in het kabinet, en binnen de NAVO, heeft Hillen met de oorlog ingestemd.

De Fransen mogen naïef zijn, ze zijn ook duidelijk. Ze erkennen dat ze, ondanks het wapenembargo, machinegeweren en antitankwapens sturen aan de rebellen. De Britten gaan minder ver, maar ook het sturen van scherfvesten heeft meer met militaire hulp dan met burgerbescherming te maken.

Vroeg of laat zal dit alles leiden tot de val van Gaddafi, en dat is een goede zaak. Maar moet het ónze zaak zijn? Bovendien: wat krijgen wij, en vooral de Libiërs, ervoor in de plaats? De website van de Nationale Overgangsraad van de rebellen heeft als motto „Freedom. Justice. Democracy”. Maar wat voor regime ze zullen vormen als ze aan de macht komen, blijft onduidelijk. Een democratie is onwaarschijnlijk. Een rapport van Franse onderzoekers waarschuwt dat er in de Overgangsraad behalve een minderheid van echte democraten ook fundamentalisten zitten met banden met Al-Qaeda, monarchisten en overlopers die tot voor kort hoge posities bekleedden in het staatsapparaat van Gaddafi. Daaraan voorbijgaan is meer dan „een beetje naïef”.

Juurd Eijsvoogel