President Assad is in Homs een held of hond

De grote Syrische stad Homs is al weken toneel van protesten tegen het regime, maar ook van demonstraties ervóór. Sunnieten zijn tegen, christenen en alawieten voor. Bezoek aan een stad vol sektarische spanningen.

„Alles rustig in Homs”, zegt de veiligheidsofficier terwijl hij toestemming uitschrijft voor de reis van Damascus naar Homs. „Veiliger is het er nog nooit geweest.”

De Syrische stad Homs telt iets meer dan een miljoen inwoners. De stad heeft een grote conservatieve sunnitische gemeenschap, maar er wonen ook veel christenen en shi’itische alawieten, de sekte van president Bashar al-Assad. Al weken is het er erg onrustig: er zijn grote demonstraties tegen de regering en schietpartijen, waarbij volgens de oppositie al tientallen doden zijn gevallen. Gisteren vielen in verschillende steden in Syrië minstens elf doden bij gevechten met ordetroepen.

Bij aankomst in Homs moet de taxi omrijden. Een regeringsgezinde mars van meer dan tienduizend hippe jongeren verspert de weg. Ze dragen witte T-shirts met daarop de foto van de president. „Het zijn er veel”, merkt de sunnitische taxichauffeur op. „Maar wij zijn met meer.”

De protesten in Homs begonnen met een grote demonstratie voor het provinciehuis waarbij het vertrek werd geëist van de gouverneur, een corrupte en onpopulaire man. De gouverneur werd begin april door de president ontslagen, maar de demonstraties hielden aan.

Al gauw werd de roep om meer vrijheid ingeruild voor de eis dat de president moest vertrekken en zijn regime omvergeworpen moest worden. Ook hieven de betogers de islamitische leus Allahu Akbar aan, God is groot. De veiligheidstroepen schoten met scherp om een einde te maken aan de demonstraties. Sindsdien is het onrustig in de stad, met elke nacht schotenwisselingen die lang aanhouden.

Een Europese priester in Homs legt de situatie uit. „De demonstraties tegen het regime zijn sektarisch geladen en gericht tegen de alawieten die de macht hebben. Niet voor niets is de situatie zo gespannen in steden als Homs en Hama, waar alawieten en sunnieten bij elkaar wonen. De imams roepen op tot de jihad en de demonstranten roepen leuzen tegen alawieten en christenen: „De alawieten begraven we, en de christenen zetten we het land uit.” En dan wonen er aan de rand van de stad nog bedoeïenenstammen die een privéoorlog voeren met de staat.”

Berichten dat ordetroepen zomaar op vreedzame demonstranten schieten doet de priester af als bevooroordeeld en onjuist. „De demonstranten provoceren de ordetroepen”, vertelt hij. „Ik heb zelf gezien hoe jongeren uit de wijk Bab Sbaa een gasfles aanstaken en in een vrachtwagenband naar een legerpost rolden. Logisch dat er dan teruggeschoten wordt. Bab Sbaa ligt hier om de hoek en zit vol wapens. Die hebben ze al jaren geleden via Libanon naar binnengesmokkeld.”

Verstopt in de steegjes van de oude stad, onderaan de citadel, ligt de souq van Bab Sbaa. Deze wijk is het domein van de conservatieve sunnieten en een bolwerk van verzet tegen het regime. Tijdens de betogingen zijn hier al meer dan twintig inwoners doodgeschoten. De balkons van de woningen aan de winkelstraat zijn afgeschermd met matglas en grote doeken om te voorkomen dat iemand naar binnen kijkt.

Twee vrouwen in lange zwarte jassen en met gezichtssluier voor lopen haastig voorbij. Op het asfalt staat met grote witte krijtletters geschreven: ‘Bashar al-Assad, zoon van een hond’. Aan het einde van de winkelstraat heeft het leger zandzakken opgestapeld en een machinegeweerpost ingericht, klaar om te vuren bij eventuele nieuwe onlusten.

In een kapsalon aan de winkelstraat vertelt een man met een islamitisch baardje: „Wij gaan de straat op om onze rechten te eisen. Maar dan wordt op ons geschoten. Het regime moet weg, anders kunnen we nooit onze vrijheid krijgen.”

Hij geeft toe dat het geweld niet alleen van de kant van de regering komt. „Het is waar dat er demonstranten zijn die de ordetroepen uitdagen of bekogelen met stenen. Je moet echter begrijpen dat iedereen hier wraak eist voor de doden die zijn gevallen. Ons bloed is nu eenmaal niet goedkoop.” De man weerspreekt dat de inwoners van Bab Sbaa massaal bewapend zijn. „Als er één op de honderd man een vuurwapen heeft, dan is het veel.”

Daarnaast ontkent hij dat er sprake is van dreigementen tegen minderheden. „God heeft ons juist opgedragen om christenen te beschermen. Zo staat het in de Koran. Het kan gebeurd zijn dat er haatdragende leuzen zijn geroepen tegen alawieten en christenen, maar dat zijn opgeschoten jongeren die niets begrijpen van hun religie. Dit is een strijd tussen het volk en de regering en niets anders.”

Dan loopt een man van een jaar of zestig de kapsalon binnen. Uit zijn zak haalt hij een lijst met namen van jongeren uit Bab Sbaa. Zij worden gezocht. „Ontfutseld uit de handen van de veiligheidsdienst. We brengen de mensen op de hoogte, zodat ze zich kunnen verstoppen.”

Een enorm mes steekt uit zijn jas. „Voor de agenten van de veiligheidsdienst”, gromt hij. „Zodra ik er een zie, snij ik zijn keel door.”

Vijftig meter verderop eindigt het sunnitische Bab Sbaa en begint de christelijke wijk Boustan Diwan. Hier lopen vrouwen in strakke spijkerbroeken op straat. Ook hangen er Syrische vlaggen en foto’s van de president.

Op het centrale plein van Boustan Diwan hebben zich zo’n honderd jongeren uit de wijk verzameld. Zij houden foto’s van de president omhoog en scanderen pro-Assad leuzen. Na een half uur ontstaat er ruzie en wordt de betoging beëindigd.

Enkele bewoners uit de wijk dragen de jongeren op om naar huis te gaan. Ze vrezen represailles van moslims uit Bab Sbaa. Eerder deze dag raakten de regeringsgezinde demonstranten op weg naar huis slaags met tegenstanders van het regime.

Hossam is christen Hij werkt in een internetcafé en vertelt dat er wel degelijk sprake is van sektarische spanningen. „Voor het eerst in mijn leven stap ik een taxi in met angst voor de chauffeur. En de chauffeur is bang voor mij. Onmiddellijk wordt mij gevraagd wat mijn religie is. Zo ken ik mijn land toch niet!”

Een week geleden na het vrijdaggebed, reden drie terreinwagens Hossams straat in. Er zaten jongeren in, met kapmessen en kalasjnikovs. „Ze waren op jacht naar alawieten in de buurt. Ze zagen mijn neef aan voor een alawiet en wilden hem iets aandoen. Gelukkig liep het goed af.”

„Wij kunnen niet langer neutraal blijven, anders maken de moslims ons af”, zegt Hossam fel. „Ik heb toch zelf gehoord wat ze dreigen en roepen: ‘Jullie christenen, ongelovigen, we weten wel dat jullie met Bashar zijn’. Maar mij krijgen ze het land niet uit. Ik ben Syriër, voor altijd.”