Parijs achter de sluis

Hard, romantisch, exotisch. Elke wereldstad heeft haar eigen imago. NRC Handelsblad gaat deze zomer op zoek naar de werkelijkheid achter het cliché van de wereldstad. Deze week aandacht voor Parijs. Volgende week: Istanbul.

luctuat nec mergitur. Dat is het zelfbewuste motto van Parijs en het betekent: Parijs wordt heen en weer gegooid door de golven, maar het zinkt nooit.

Zoals zoveel steden heeft Parijs zijn bestaan, en een groot deel van zijn rijkdom, te danken aan het water. Maar geen stad die het water zo fêteert als Parijs. Parijzenaars houden van stromend water, of het nu in de Seine is, in de vele fonteinen die de Britse weldoener Wallace aan de stad heeft geschonken, of simpelweg in de goten, waarmee ’s ochtends vroeg de straten worden schoon gespoeld.

Stromend water betekent rijkdom. Stromend water betekent leven. De infopaaltjes die bij monumenten en op bekende pleinen zijn neergezet lijken op roeispanen, en dat is geen toeval.

In de zomer komt de Parijse liefde voor het water helemaal tot leven. Dit jaar viert de stad van 21 juli tot 21 augustus de tiende editie van Paris Plages. Bij de start in 2002 heette het nog Paris Plage (enkelvoud) en ging het alleen om de kades van de Seine. Maar sinds 2007 heeft Parijs een nieuwe waterstrook omarmd: die begint aan de Seine bij plezierhaven Paris-Arsenal, gaat over in het Canal Saint-Martin, en daarna in het Bassin de la Villette en het Canal de l’Ourcq.

Neem een rondvaartboot en ontdek dit deel van Parijs. Bij voorkeur begin je dan in het zuiden, waar je in de plezierhaven nog even kan wegdromen bij de luxejachten. Het leuke aan de boottocht op het kanaal is dat je een paar kilometer ondergronds vaart. Aan de Place de la Bastille duikt het Canal Saint-Martin onder de grond, om ter hoogte van de Place de la Republique weer bovengronds te komen. Twee achtereenvolgende sluizen brengen de boten een kleine tien meter hoger.

Vanuit de boot heb je een prachtig zicht op de wandelbrugjes over het Canal Saint-Martin. Van een zo’n brugje keilde Audrey Tautou platte steentjes over het water in de succesfilm Le fabuleux Destin d’Amélie Poulain. Ondertussen kun je een glimp opvangen van de laatste sweatshops, als het warm genoeg is staan de ramen open en hoor je het gezoem en geratel van naaimachines.

Het Canal lokt veel echte Parijzenaars. Vooral op zwoele lente- en zomeravonden veranderen de kaaien langs Canal Saint-Martin in één grote picknickzone. Jongeren uit de buurt komen er baguette met kaas eten, gitaarspelen en bier drinken. Ze hebben strandstoelen mee, een enkeling een barbecuetje. Misschien zijn ze er niet eens van op de hoogte dat in de jaren zestig plannen werden gesmeed om het kanaal te dempen om er een snelweg aan te leggen die de luchthavens van Orly in het zuiden en Bourget in het noorden zou verbinden. Na hevig buurtprotest werd dat plan begraven.

Bassin

Aan Place Stalingrad mondt het Canal uit in het Bassin de la Villette. Tot voor enkele jaren was dit gebied, gemarkeerd door de classicistische Rotonde de la Villette, onbekend terrein voor de meeste Parijzenaars. De zone was bezet door zware drugsverslaafden, wie niet tot hun kliek behoorde had hier niets te zoeken en alleen maar heel veel te verliezen. Nu staan er op beide oevers van het Bassin bioscopen. Er zijn koffiehuisjes, er is het drukbezochte want altijd zonnige terras van ‘25 degrees de l’Est’, en er is de MK2-shop, een bioscoopwinkel waar je oude Franse films kunt kopen, en veel boeken over Franse film.

In het Bassin liggen peniches, woonboten, die omgetimmerd zijn tot restaurants, danszalen waar je een salsacursus kunt volgen, of tot een klein theater waar opera’s worden opgevoerd. Helemaal op het einde van het Bassin staat de leukste jeugdherberg van Parijs, St. Christophers. Aan de buitenkant ziet het eruit als een prachtig verbouwd oud pakhuis, maar de herberg is pas drie jaar oud.

Aan de andere kant van het water huisvest de Parijse universiteit buitenlandse studenten. In de jeugdherberg is het bijna iedere avond feest. Aan de boorden van het Bassin wordt door een nieuwe generatie amateurs de boules petanque gespeeld. Dankzij de woonboten, de petanquebanen en de flanerende buurtbewoners heerst hier een gemoedelijkheid die langs de Seine niet te vinden is.

Waar de rondvaartboten stoppen, gaat een fietspad verder onbekend Parijs in. Voorbij de jeugdherberg en de studentenslaapplaats fiets je dan langs het Canal de L’ourcq naar het Parc de la Villette, waar je op de ene oever het Cité des Sciences et de l’Industrie vindt, een prachtig museum over wetenschap en industrie, en op de andere oever het Cité de la Musique, een levend museum over muziek. Hier werden vroeger varkens en koeien geslacht in de grootste slachthuizen van het land. Halverwege de jaren zeventig werden de slachthuizen gesloten, maar het duurde tot eind jaren tachtig voor de stad Parijs het gebied nieuw leven inblies door er het grootste park van Parijs van te maken.

Aan het eind van het park eindigt ook Parijs. Maar het leukste is om onder het autogeraas van de Boulevard Périphérique door te pedaleren, en in het voorstadje Pantin de oude molens te bewonderen. Even verderop zie je verlaten industriegebouwen, je fietst langs zigeunerkampen en voor je het weet ben je twintig kilometer verderop in het dorp Sevran in het Parc de Poudrerie, een gigantisch natuurgebied dat ooit toebehoorde aan het Franse leger. Wat een luxe: een oud romantisch bos en geen toerist te zien. En in de Parijse kroegen kun je ’s avonds snoeven dat je helemaal door gevreesde banlieue-steden als Bobigny en Aulnay-sous-Bois bent gefietst, plaatsen waar de gemiddelde Parisien nooit van zijn leven komt.

Grootste nadeel: terug richting stad heb je meestal tegenwind. Grootste voordeel: wie de rust van het bos achter zich laat en al fietsend – over afgelegen industrieterrein, voorbij eenzame molens, door een bruisend park en langs een hectisch kanaal – de hectiek van het leven weer langzaam binnengaat, heeft het gevoel binnen het uur in vier verschillende werelden te zijn geweest. Met de prachtige stad aan de Seine als apotheose.