Impasse in plaats van oplossing

En weer stelt Nederland België teleur. Nu wil het de Hedwigepolder niet ontpolderen, ondanks een duidelijk verdrag met Vlaanderen. Het stelt in de plaats daarvan een reeks andere maatregelen voor. Enkele daarvan zijn nog niet eens bekend en de maatregelen die dat wel zijn, missen hun doel ruimschoots.

Na decennia van vruchteloos gehakketak hebben Vlaanderen en Nederland rond 2000 de handen in elkaar geslagen om een ambitieus programma voor de Schelde te uit te voeren. De veiligheid (tegen overstromingen), de toegankelijkheid (van de havens) en de natuurlijkheid (van het milieu) moesten versterkt worden. Die ambities werden neergeschreven in een langetermijnvisie en, voor de kortere termijn tot 2010, een ontwikkelingsschets.

Daarbij werden vele groepen betrokken – voor het eerst zaten havenbazen, natuurbeschermers, landbouwers, waterzuiveraars, provincies en gemeenten samen rond de tafel met de nationale overheden. Een geweldige dynamiek werd gecreëerd, waarin gezamenlijke ambities de nadruk kregen en niet de onderlinge conflicten. Binnen die ambities pasten de derde verruiming van de vaargeul (intussen al uitgevoerd) en veiligheidsmaatregelen zoals het Sigmaplan en de overlooppolders in de Zeeschelde.

In Vlaanderen werd volop werk gemaakt van de versterking van de natuur in het Scheldebekken. Schorgebieden en enkele voormalige polders werden opnieuw bij de stroom betrokken. Daardoor zullen op den duur leefgebieden voor zeldzame vogels en vissen ontstaan, wordt de natuurlijke waterzuivering gestimuleerd en wordt het risico op overstromingen verkleind.

Alleen in Nederland loopt het nu mis met de natuurverbetering. Het plan was de Hedwigepolder te ontpolderen en daarnaast nog 300 ha natuurgebied aan de Westerschelde toe te voegen. Dat is in een verdrag vastgelegd, maar het Nederlandse kabinet weigert het nu uit te voeren. In de plaats daarvan wil het binnen de huidige begrenzingen van de Westerschelde aan ‘natuurcompensatie’ doen en ongeveer 150 ha nabij Vlissingen ontpolderen. Deze maatregelen zouden 70 à 90 procent van de gestelde oppervlaktedoelen realiseren. Met nog niet nader bekende plannen zou men dan aan de rest van de verplichtingen voldoen, al lijkt dat vooral een eufemisme voor ‘aan de verplichtingen ontkomen’.

De projectjes binnen de begrenzing van de Westerschelde betreffen enkele hectares bij de platen van Hulst en bij de platen van Ossenisse. Daarvan wordt de verwachte opbrengst voor de natuur veel ruimer ingeschat dan realistisch is. Verder is er een project bij de Nederlands-Belgische grens, dat ronduit nadelig is voor de natuur. Een nevengeul wordt gedempt en de stroming wordt verplaatst naar het Verdronken Land van Saeftinghe. De maatregel spot met alle principes van beheer van de Westerschelde, en levert netto niets op, omdat aan de ene oever gebied wordt gecreëerd dat aan de andere oever verloren gaat. Het project ligt ook nog voor de helft op Belgisch grondgebied.

Het ontpolderingsproject bij Vlissingen is een gebied dat was gereserveerd als compensatie voor de containerterminal in Vlissingen. Als het nu ook voor een ander doel wordt gebruikt, betekent dit dat de containerterminal zonder compensatie zal worden gebouwd.

De beide initiatieven samen bereiken bij lange na niet de oppervlakte aan natuurherstel die men voor ogen had. Die oppervlaktes zijn het minimum dat nodig is om de natuur in de Schelde te doen overleven met de derde verdieping. Want wat is het probleem? Door de vaargeul sterk te verdiepen wordt de Schelde behoorlijk veranderd. Ondieptes nabij de zandplaten zijn verdwenen, de platen zijn daardoor hoger en steiler geworden, het getij dringt dieper en sterker binnen. Wat ooit een rijk mozaïek was van hoog, laag en heel veel tussenin, van grillige geultjes en zich verplaatsende platen, van slibbig en zandig, wordt vereenvoudigd tot een diep kanaal met sterke stroming, tussen zeer hoge en vastgelegde platen, waarin het getij gevaarlijk hoog de rivier op dringt. Het natuurherstel wil deze ontwikkelingen, die niet alleen de natuur maar ook de veiligheid bedreigen, zoveel mogelijk inperken en de kosten voor onderhoud minimaliseren. Als de rivier wordt verdiept, moet zij ook worden verbreed om in evenwicht te blijven.

De alternatieven, die vooral dicht bij de monding liggen, dragen niet bij aan de vermindering van de vloedhoogte in Antwerpen en opwaarts. Een kans is gemist om veiligheid en natuur tezamen te optimaliseren. Verder is een unieke kans gemist om tussen Saefthinge en Prosperpolder een groot schorrengebied te creëren. Zeldzame soorten hebben een groot aaneengesloten gebied nodig en komen niet voor als dit oppervlak is verdeeld in postzegeltjes. De Vlaamse investering in de ontpoldering van de Prosperpolder verliest zo ook een belangrijk deel van haar waarde.

Nederland heeft zich in Europa geëngageerd om de natuur in de Westerschelde te verbeteren. Met deze voorstellen zal het die doelstelling niet halen. Het zal een verdrag met Vlaanderen schenden, en het zal de politiek rond de Westerschelde op het niveau brengen waar die zich twintig jaar geleden bevond, namelijk in een impasse tussen landen en belangengroepen. Het heeft jaren gekost om een samenhangende politiek met gezamenlijke ambities te ontwikkelen. Wij blijven geloven dat dit model nog kan worden gered, en dat het de beste garantie is voor de toekomst van mens en natuur in de Schelde. Het is heel wel mogelijk de economische ontwikkeling in een welvarende regio te combineren met de ontwikkeling van een sterke en veerkrachtige natuur. Waarom zou Nederland, of Zeeland, voor minder willen gaan? En waarom zou Vlaanderen zo gek zijn te betalen voor een natuurherstel dat zijn geld niet waard is? Wij roepen de Vlaamse regering op deze alternatieven te verwerpen. De Schelde verdient beter.

Patrick Meire is bioloog en verbonden aan de Universiteit Antwerpen. Peter Herman is verbonden aan het Nederlands Instituut voor Ecologie.