Ik denk heel simpel: dood is dood

In de rubriek ‘Het laatste woord’ praten mensen over hun laatste levensfase.

Daaronder staat wekelijks een necrologie van een niet per se bekende persoon.

„Een jaar of twintig geleden heb ik het roer in mijn leven radicaal omgegooid. Mijn man heeft een druk bestaan, ik werkte thuis als ontwerper van textieldessins, we hadden iemand in huis voor de kinderen. Op een dag hoorde ik een kind huilen en roepen: ik wil naar mama toe! De oppas zei: nee, mama werkt, die mag je niet storen. Toen dacht ik: waar ben ik mee bezig? Waar draait het écht om in het leven? Vrijwel van de ene op de andere dag ben ik gestopt met werken.

„Aan de ene kant had ik makkelijk praten. We konden het ons veroorloven dat ik geen geld meer inbracht. Aan de andere kant heb ik me ook wel eens ongemakkelijk gevoeld. Want ja, opeens ben je ‘huisvrouw’, dat geeft voor de buitenwereld een heel andere status. Toch ben ik trouw gebleven aan mijn besluit.

„Ons huis groeide uit tot een plek voor verschillende activiteiten. Jaarlijks in het Hemelvaartweekend komen vrienden van mijn man en een zoon hier om te musiceren, te eten en te slapen. Mijn man speelt altviool, onze zoon contrabas. De kinderen noemen ons huis een plek waar altijd alles kon. Repetitieweekenden voor muziek, toneel, cabaret, bestuurswerk, zelfs ontgroeningsweekenden zijn hier geweest. De laatste jaren heb ik als vrijwilliger gewerkt aan projecten voor kinderen van gevangenen en ex-gedetineerden.

„Mijn vader vond het in het begin niks, een dochter met haar vwo-diploma en creatieve opleidingen die haar talenten niet benutte. Op een dag zag hij me in de tuin werken. Tuinieren geeft me altijd een enorme flow. Toen begreep hij dat ik de juiste keuze had gemaakt. Hij zei: ‘Il faut cultiver notre jardin’, we moeten onze tuin bewerken, een citaat van Voltaire uit Candide, ou l’optimisme. Dat boekje heb ik toen gelezen. Candide maakt een ontdekkingstocht door de wereld om te onderzoeken of onze aarde de beste plek is van alle werelden. Overal waar hij komt, treft hij ellende aan. Aan het einde van zijn reis ontmoet hij een keuterboertje dat hem de sleutel tot de wijsheid geeft: als je je wilt inzetten voor een betere wereld moet je zorgen dat je je eigen wereld op orde hebt.

„Toen tweeëneenhalf jaar geleden bleek dat ik kanker heb, was ik zó blij dat onze tuin op orde is, bij wijze van spreken dus. Ons familieleven heeft een stevige basis en ik dacht: het is goed zoals het is, vanuit deze positie wil ik zo normaal mogelijk verder leven en verder hoef ik niks meer te bewijzen. Ja, één reis naar Tanzania, met alle kinderen en aanhang, hebben we nog gemaakt. Voor de rest voel ik geen enkele behoefte opeens allerlei spannende dingen te doen. Wel ben ik weer gaan schilderen, wat ik in mijn studietijd intensief had gedaan en daarna had verwaarloosd.

„Het laatste wat ik nog wilde regelen in m’n leven is een veilige plek vinden voor onze jongste zoon. Hij is verstandelijk beperkt door een leven van epileptische aanvallen. Hij is net 21 jaar geworden en hij woonde thuis. Sinds kort heeft hij zijn eigen appartementje in een ‘begeleid wonen’-complex, van waaruit hij overdag in een restaurant werkt.

„Over de dood denk ik heel eenvoudig. Dood is dood. Het leven is eindig, van alle planten, dieren en mensen, dus ook het mijne. Je lichaam houdt ’r gewoon mee op – klaar. Ik zal er niks van merken als ik straks dood ben. De gedachte dat ik m’n dierbaren moet loslaten – ja, dat vooruitzicht is vreselijk natuurlijk. Ik voel me echt schuldig tegenover hen. Ik heb gerookt vanaf mijn vijftiende. Ik besef heel goed waar die longkanker vandaan komt. Talloze keren ben ik gestopt met roken, maar de verleiding was te groot. Ik heb het risico willens en wetens genomen.

„Momenten van bezorgdheid over het verloop van m’n ziekte en van verdriet ken ik wel, maar ik vind dat geen onderwerp om met veel mensen te delen. Ik ben niet zo’n klager. Bovendien heb ik deze ellende over mezelf afgeroepen, dus moet ik nu niet zeuren.

„Het laatste deel van m’n leven wil ik niet door ziekte laten beheersen en zo gewoon mogelijk doorleven. Afgelopen najaar heb ik nog een paar bomen gekocht. Toen ik ze pootte, wist ik dat ik ze niet meer groot zie worden. Maar wel heb ik gezien hoe ze uitliepen in het voorjaar – en dat had ik niet willen missen.”

Tekst & foto Gijsbert van Es

Wie wil meewerken aan deze rubriek kan een e-mail sturen naar laatstewoord@nrc.nl.Twitter: #hetlaatstewoord