Hemofilie genezen door defect gen om te wisselen voor gezond gen

Een gedroomde vorm van gentherapie is eindelijk met succes toegepast, bij muizen met hemofilie. Hemofilie is een erfelijke ziekte waarbij inwendige en uitwendige bloedingen moeilijk te stelpen zijn.

De techniek is in principe simpel: knip het gen dat voor de ziekte zorgt uit het DNA en vervang het door een ‘gezonde’ versie van het gen. Het is als het knippen en plakken van tekst. In vaktermen heet de de techniek dan ook genome editing. Maar in de inmiddels decennialange praktijk van de gentherapie was die op het oog simpele aanpak bij levende dieren tot nu toe onrealiseerbaar. (Nature online, 26 juni).

Bij de nu gebruikelijke ‘klassieke’ gentherapie wordt een intact gen met behulp van een virus in cellen gebracht. Dit gen komt op een willekeurige plek in het DNA terecht. Daardoor ontstaan soms echter nieuwe mutaties, of zelfs kanker.

Het precieze knippen en plakken waarvan nu bij muizen is aangetoond dat het hemofilie kan genezen, wordt verzorgd door zogeheten zinkvinger nucleasen. Dat zijn synthetische enzymen die zo zijn ontworpen dat ze in het DNA op zoek gaan naar plaatsen met een bepaalde basenvolgorde en daar de DNA-streng doorknippen. Als de basenvolgorden van het begin en eind van een gemuteerd gen bekend zijn, kan het precies worden uitgeknipt. Na het knippen ontstaan er ‘losse eindjes’ in het DNA waaraan het ontworpen intacte gen precies past. De benodigde enzymen en de correcte versie van het gen komen in de cel door een infectie met een onschadelijk virus.

De onderzoekers pasten dit principe met succes toe bij muizen met de A- en B-vormen van hemofilie. Lijders aan deze ziekten kampen met ernstige problemen met de bloedstolling doordat het gen voor een essentieel stollingseiwit is gemuteerd. Mensen met die beide ziekten krijgen geregeld injecties met de ontbrekende eiwitten.

In het experiment met de muizen was het gebruikte virus zo gemanipuleerd dat het alleen in levercellen binnendringt, omdat in zoogdieren alleen daar de stollingseiwitten worden gevormd. Na de behandeling werd zoveel stollingseiwit geproduceerd dat de stollingstijd van het bloed weer nagenoeg normaal was. Acht maanden na toediening werkten de ingebrachte genen nog steeds naar behoren. Het principe werkt ook bij andere erfelijke ziekten, maar het zal nog jaren duren voordat eventuele toepassingen bij de mens beschikbaar zijn.Huup Dassen