Goede cijfers doen ertoe

In de wereld der schone kunsten is staatssecretaris Halbe Zijlstra (Onderwijs, Cultuur & Wetenschap, VVD) de gebeten hond. In de wereld van het hoger onderwijs groeit juist de steun. Nog voordat Zijlstra gisteren zijn ‘strategische agenda’ kon presenteren, schaarden universiteiten en werkgevers zich op hoofdlijnen al achter hem.

VNO-NCW en MKB hielden deze week samen met belangenorganisatie Beter Onderwijs Nederland een warm pleidooi voor herwaardering van ambachtelijk onderwijs. De Vereniging van Samenwerkende Universiteiten (VSNU) bood Zijlstra een reeks voorstellen aan om het academisch onderwijs selectiever en meer concurrerend te maken.

Dat kon Zijlstra wel gebruiken in een week waarin hij persoonlijk verantwoordelijk is gesteld voor een nakende ondergang van niets minder dan de beschaving. En het ligt ook voor de hand. Er moet iets gebeuren tegen de inflatie van het academische niveau en het geduld met langstudeerders. Dat Zijlstra dat gaat aanpakken, spoort met de tijdgeest die een afkeer heeft van de spreekwoordelijke zesjescultuur.

Voorzitter Sijbolt Noorda van de VSNU heeft die tijdgeest donderdag treffend verwoord. Niet alleen moet het academische onderwijs zich niet meer op de „middelmaat” richten, een „cultuuromslag” die een „lange adem” vergt, maar het moet ook kleinschaliger worden, zodat de studenten niet in de massa verdwalen.

Ongeveer tien jaar geleden pleitte Noorda, die toen leiding gaf aan de Universiteit van Amsterdam, voor een fusie met het hbo. Deze trend naar schaalvergroting beleefde uitgerekend deze week een symbolisch slot met de fusie van universiteitskrant Folia Civitatis en hogeschoolblad Havana.

Die omslag is geen toeval. Veertig jaar onderwijspolitiek gericht op emancipatie en verbreding loopt al langer op haar einde. Sinds de geboortegolf van medio jaren zestig opstoomde in het onderwijs en de postindustriële maatschappij meer behoefte had aan gekwalificeerde hoofdarbeid, worstelen de beleidsmakers met het dilemma tussen kwaliteit en toegankelijkheid. Die spanning werd uiteindelijk onhoudbaar.

Door perverse financieringsprikkels en fixatie op statistiek – zoals het politieke doel dat de helft van de bevolking hoger onderwijs moet hebben genoten – zijn hogescholen en universiteiten hun hoofdtaak gaan verwaarlozen: overdracht van kennis en kunde plus onderzoek.

Het gevolg is een onaanvaardbaar laag studierendement dat nota bene bij de drie technische universiteiten het allerslechtst is. Die trend moet worden gekeerd. Selectie aan de poort, waarbij eindexamenresultaten en individuele motivatie een rol spelen, moet voorkomen dat vwo’ers perspectiefloze studies doen. Met differentiatie van collegegelden en salarissen wordt de variëteit aan kwaliteit bevorderd. De primaire opdracht voor het hoger onderwijs krijgt eindelijk weer de prioriteit.

Het kabinet-Rutte sluit, overigens zonder extra geld te besteden, aan bij eerdere adviezen van oud-minister Veerman. Dat moet ook, wil Nederland weer in de top-5 van de kenniswereld komen. Maar de consensus, die nu alleen wordt verstoord door studenten, is geen reden de ogen te sluiten voor de keerzijde. Pleitbezorgers van competitief onderwijs verwijzen graag naar Amerika. Vergeten wordt dat het hoger onderwijs daar in den brede juist niet beter is dan in Nederland. Bovendien dreigt verdringing. Naarmate de universiteiten selectiever toelaten, wordt de druk groter op het toch al massale hbo en daarna op het mbo. De kans dat het ambachtelijke onderwijs nieuw leven wordt ingeblazen, zoals de werkgevers terecht bepleiten, daalt dan navenant.

Selectie en competitie werken. Maar in het hoger onderwijs zal het rendement nooit exact kunnen worden berekend. Onderwijs is meer dan een bedrijf. Het is ook een maatschappelijke investering.