De boom van het leven in het Lake District

Die galerijflats aan de Meteorenweg in Purmerend gaan tegen de vlakte, maar nu nog even niet. Dit weekend mag nog iedereen in de achterste flat op visite, op de derde etage. Ik ging vorig weekend op bezoek in de woningen waar jonge kunstenaars tijdelijk hun goddelijke gang kunnen gaan: de Kunstgalerij.

Je bent nog niet binnen of het begint al, meteen beneden, in de hal, bij het bellenbord. Er klinken stemmen en klanken uit de intercom, die werd gekraakt en van een soundtrack voorzien. Door Bonno van Doorn, die in zijn flat trouwens een enorme meteoriet liet stranden op het door brandende peuken gepokte tapijt dat er nog lag. Buurvrouw Dominique Teuven organiseerde in haar flat een feest, het is verlaten en zwart, wit en grijs geworden, van de ballonnen aan het plafond tot de afwas op het aanrecht. De andere zes kunstenaars doen niet voor hen onder, bijvoorbeeld met die aarzelende lichtshow via een mitrailleurspoor in de flatwanden; of dat reusachtige ‘geslachte konijn’ van textiel.

En? Wat vinden jullie van de bezuinigingen op de kunsten? Die vinden ze achterlijk, maar veel woorden maken ze er niet aan vuil, ze hebben het te druk. Hun antwoord is hun enthousiasme.

Enthousiasme is aanstekelijk. Het stuurt me naar de film The Tree of Life. Hij won in mei op het filmfestival in Cannes de Gouden Palm. Iedereen juichte en juicht nog steeds. Ik kijk en word steeds chagrijniger. Om te beginnen stort de film vijfenvijftig minuten kant-en-klaar-ingekochte natuurbeelden over me heen. Vulkanen. Landschappen. Vogelvluchten. National Geographic. Nee zeg, nu drentelen er zelfs twee dinosauriërs voorbij. En de ene vreet de ander niet op, terwijl hij veel groter is. Hier wordt de great chain of being vastgesteld – we zijn allen deel van een geheel, iedereen is familie van alles, dit bloemetje is mijn broeder.

Ha! Eindelijk! Mensen. Een gezin in de jaren vijftig in een Texaanse kleinstad. Een vader, een moeder. Drie zoontjes. Een met talent, een met een neiging tot het Boze, een doet niet ter zake. Moralisme strijkt zelfingenomen kreukels in hun kleine levens; de regie toetert He’s Got the Whole World in His Hand.

Ik dacht dat ik iets geweldigs zou zien, nu voel ik me een spelbreker. Ik mag proeven van deze boom der kennis, maar het smaakt niet. The Tree of Life suggereert dat hij reikt naar het wezen van de mens. Als dat wezen zo stuurs en steil is, laat dan maar zitten.

En dan duikt dat wezen van de mens, in al zijn schattige krakkemikkigheid, onverwacht op in een andere film, die nauwelijks aandacht trekt. The Trip.

Twee mannen samen in de auto, op pad in het Britse Lake District. Het Beatrix Potter-land, alleen ligt Pieter Konijn op hun borden, want een van hen moet restaurants recenseren. Ze krijgen gestalte in Steve Coogan en Rob Brydon, twee Britse komieken die zichzelf spelen. Ik ken dat concept uit de magnifieke film My Dinner with André, maar daar had je een verteller (theatermaker André Gregory), aan tafel met een luisteraar (acteur Wallace Shawn).

De twee Britse komieken in The Trip zijn aan elkaar gewaagd. Begenadigd opscheppers. Ze steken elkaar telkens de loef af. Wie imiteert het beste Michael Caine? Wie weet de meeste namen met Moore? (Roger Moore, Dudley Moore, Michael Moore, Julianne Moore. En veel meer. Ze vergeten Mary Tyler Moore, van de Dick Van Dyke Show).

Ze ontpoppen zich voor alles als veertigers, staan verbaasd dat ze zich niet anders voelen dan toen ze 28 waren, terwijl dat klaarblijkelijk niet meer klopt. De ene kan geen vrouw onversierd laten. De ander snakt stiekem naar vrouw en kind thuis. Ze zijn grappig, ze zijn ontroerend. Ze zijn net zo bijzonder als ieder van ons.

Joyce roodnat