Boodschap en spelen

Geschiedenis De Romeinen maakten behendig gebruik van de Griekse religie: het kon nooit kwaad de goden van de tegenstander aan je zijde te krijgen. De geliefde Apollo werd veel eer bewezen.

Apollo, gilt bronze, 2nd century AD Roman from Lillebonne, Roman Gaul Photo Credit: [ The Art Archive / Musée du Louvre Paris / Gianni Dagli Orti ] The Picture Desk

Terwijl de Amerikaanse troepen nog druk waren in Irak, werkte historica Annelies Cazemier aan haar proefschrift over de omgang van de Romeinen met de religie van de Grieken. De vergelijking tussen verleden en heden drong zich aan haar op. “Het was alsof de Amerikaanse president Bush in een moskee in Irak zou zijn gaan bidden”, zegt Cazemier.

Want ook in haar onderzoek was sprake van een grootmacht (Rome) die een ander land (Griekenland) met andere religieuze gewoonten ‘te hulp kwam’ en het daar voor het zeggen kreeg. Maar Rome ging op religieus terrein verder dan de Verenigde Staten in Irak. Geschiedschrijver Livius beschrijft in zijn geschiedenis van Rome hoe Aemilius Paullus, na het verslaan van de Macedonische vorst Perseus, als een toerist en sympathisant van de Griekse zaak in 168 voor Christus een tocht langs Griekse cultusplaatsen maakte en daar devoot offers bracht. “Maar de situatie was complexer dan Livius doet geloven”, zegt Cazemier. “Uit andere bronnen valt op te maken dat Aemilius Paullus zijn religieus getinte rondtocht tegelijk als een militaire inspectietocht gebruikte.”

Cazemier is onlangs gepromoveerd aan de universiteit van Oxford op een proefschrift over ‘de Romeinse interactie met Griekse cultussen en heiligdommen van de derde tot de eerste eeuw voor Christus’. Voor haar onderzoek maakte ze gebruik van historische en archeologische bronnen en inscripties. Uit haar proefschrift blijkt dat religie en politiek ruim tweeduizend jaar geleden onlosmakelijk met elkaar verbonden waren. “Dat wil niet zeggen dat er geen sprake was van echte vroomheid. De scheidslijnen zijn moeilijk te trekken.”

In de derde eeuw voor Christus was Rome nog geen wereldmacht. Het was wel bezig zijn invloed over Italië en het westelijk Middellandse Zeegebied uit te breiden. Daarmee kwam het in conflict met de Carthagers in Noord-Afrika. Griekenland, waar de Macedoniërs een belangrijke machtsfactor waren, en Klein-Azië vielen nog buiten de aandachtssfeer van de Romeinen.

Een van de vroegste contacten tussen Rome en Griekse cultusplaatsen dateert van 216 voor Christus. De Romeinen hadden net bij Cannae een grote nederlaag tegen Hannibal en zijn Carthagers geleden en waren bang dat Rome zelf zou vallen. Na raadpleging van de heilige Sibyllijnse boeken werd besloten het orakel van Delphi te raadplegen. Het kon geen kwaad om de zegen te krijgen van de Griekse god Apollo, gerespecteerd in de gehele Mediterrane wereld. Cazemier: “De Romeinen gingen polytheïstisch als ze waren heel pragmatisch om met andere goden. Tijdens belegeringen deden ze daarom hun best om de goden van hun tegenstanders aan hun zijde te krijgen.” Bovendien was het bezoek aan het orakel een signaal aan de Grieken in Italië en op Sicilië, die ook onder Hannibal te lijden hadden. “Delphi werd zo voor de Romeinen de toegangspoort tot de hele Griekse wereld.”

Isthmische Spelen

Zo was een Romeinse ambassadeur in 208 voor Christus aanwezig bij de wedstrijden en religieuze feesten van de Olympische Spelen. De Romeinen maakten dankbaar gebruik van het feit dat Grieken van heinde en verre bijeenkwamen: ze brachten in Olympia het nieuws dat ze Syracuse op Sicilië en Tarentum in Zuid-Italië, Griekse bondgenoten die in Carthaagse handen waren gevallen, hadden veroverd. Vroegere bewoners die naar Griekenland waren gevlucht hoorden zo dat ze weer veilig terugkonden. Het nieuws was ook een signaal aan steden en heersers die meenden in de regio een machtsrol te kunnen spelen. “De Romeinen gebruikten de Spelen dus als een soort persconferentie”, zegt Cazemier. “Het gebruik van heiligdommen om politieke berichten te verspreiden was niet nieuw, want de Aitoliërs, die toen over Delphi heersten, hadden vier jaar eerder in Olympia een kopie van het verdrag tussen hen en Rome opgesteld.”

De boodschap van de Romeinse ambassadeur in Olympia was mogelijk ook een waarschuwing aan Philippus V van Macedonië, bondgenoot van Hannibal en heerser over een groot deel van Griekenland. En het was niet de eerste (indirecte) waarschuwing via een religieuze plek. De Romeinen hadden met opzet oorlogsbuit uit Syracuse gewijd aan een heiligdom voor een mysteriecultus op Samothrake, een eiland in het noordoosten van de Aegeïsche Zee. “De Macedonische koningen hadden van oudsher nauwe banden met het heiligdom op Samothrake.”

Nadat de Romeinen de Carthagers in 201 voor Christus hadden verslagen, lag voor hen de weg open om hun invloedssfeer naar Griekenland uit te breiden. Dat betekende oorlog met Philippus, die in 197 voor Christus werd verslagen. “Deze keer gebruikten de Romeinen de Isthmische Spelen in Korinthe als podium om de vele aanwezigen te vertellen dat Griekenland nu bevrijd was.”

Pragmatische politiek

Romeinse wijdingen laten volgens Cazemier goed zien hoe de daaropvolgende dertig jaar de Romeinse invloed in Griekenland toenam. Kort na de nederlaag van Philippus deed bevelhebber Flamininus in Delphi alles nog volgens het Griekse boekje. De wijdingsinscriptie was in het Grieks en bevatte de juiste aanspreektitels van Apollo en de halfgoddelijke tweeling Pollux en Castor. Door zijn eigen schild te offeren plaatste hij zich in een traditie die terugging tot de Atheners die na de slag bij Marathon wapens offerden.

Aemilius Paullus, die volgens Livius als een vrome Griek langs de oude cultusplaatsen was getrokken, deed het in 168, nadat hij Perseus, de laatste Macedonische machtsrivaal, had verslagen, al weer heel anders, vertelt Cazemier. Pal tegenover de Apollo-tempel in Delphi plaatste hij een zuil met een fries waarop zijn overwinning was afgebeeld en met een inscriptie in het Latijn. “Hiermee gaf hij duidelijk aan dat nu de Romeinen de dienst uitmaakten.”

Door anders dan eerdere onderzoekers ook kleinere en onbekendere cultusplaatsen als de Cycladeneilanden Tinos en Amorgos te onderzoeken, laat Cazemier zien dat er niet alleen sprake was van meer of minder pragmatisch politiek gebruik van religie. Romeinse en Italische handelaren, zo blijkt uit inscripties, deden volledig en volwaardig mee met lokale religieuze gebruiken en feesten. “Aan de andere kant valt uit de bronnen ook op te maken dat ze tegelijk een aparte groep bleven.”

Dat bleek ook toen koning Mithridates VI van Pontus eerst de Grieken in Klein-Azië en later velen op de Cycladeneilanden en het Griekse vasteland zo ver kreeg om in opstand te komen. In 88 voor Christus leidde dit tot een bloedbad onder Romeinen en Italiërs, ook onder hen die hun heil in Griekse heiligdommen hadden gezocht.

Korte tijd later stelde Sulla namens Rome orde op zaken; hij versloeg Mithridates, plunderde het Parthenon, omdat de Atheners tot de fanatiekste opstandelingen hoorden, deed wijdingen aan heiligdommen van plekken die Rome trouw waren gebleven en daarna was alles weer ‘normaal’. “Het geeft de robuustheid aan van de Griekse religieuze tradities”, concludeert Cazemier. “En het toont de blijvende sterkte van de Romeinse hegemonie en de Romeinse integratie in de Griekse wereld. Tijdens de keizertijd ging de wederzijdse beïnvloeding door en bleven Griekse heiligdommen belangrijk in contacten tussen Grieken en Romeinen.”