Zo wordt het: de student moet heel erg zijn best doen om binnen te komen

In 2020 volgen in Nederland 800.000 mensen hoger onderwijs. De scholieren die in september van dat jaar op hbo of universiteit willen beginnen, hebben zich al voor aanvang van het eindexamen moeten inschrijven voor de studie van hun keuze. Om de instellingen de kans te geven om met iedereen een intakegesprek te voeren, ligt de uiterste inschrijfdatum namelijk op 1 mei.

Tijdens de zomervakantie moet dat gesprek worden voorbereid, want alleen een goede cijferlijst volstaat niet om binnen te komen bij de opleidingen die het hoogst staan aangeschreven. Universiteiten en hogescholen eisen van studenten dat ze gemotiveerd zijn en onder woorden kunnen brengen waarom juist zij bij zo’n prestigieuze studie op hun plaats zouden zijn.

Als zo’n felbegeerde plek eenmaal is binnengesleept, kan de aanstaande student nog lang niet naar het strand. Hij zal een baantje moeten zoeken, tenzij hij vermogende ouders heeft. Want universiteiten en hogescholen mogen voor hun beste opleidingen meer collegegeld gaan vragen dan het wettelijk vastgestelde bedrag, dat op de meeste studies van toepassing is. Het hogere collegegeld, het zogenoemde instellingscollegegeld, kan oplopen tot het zesvoudige van het reguliere bedrag.

De selectie aan de poort zal in de praktijk het vaakst plaatsvinden op de universiteiten. Alleen uitzonderlijke hbo-opleidingen als de Hotelschool in Den Haag en het Conservatorium van Amsterdam hebben de sterke internationale oriëntatie en het intensieve studieklimaat die van excellente opleidingen worden verwacht.

De tijd dat je bij ongeveer iedere hogeschool en universiteit elk vak kan studeren, is in 2020 voorbij. De instellingen hebben binnen de regio de diverse vakgebieden verdeeld. Elke universiteit heeft een profiel gekozen dat aansluit bij de onderzoeksgebieden waarop zij het best presteert. De Erasmus Universiteit Rotterdam is wellicht de Economie Universiteit Rotterdam geworden, terwijl de Universiteit Leiden terugkan naar haar oude acroniem RUL, waarbij de R niet staat voor Rijks maar voor Rechten.

De onderwijsinstellingen zijn voor 20 procent van hun financiering afhankelijk van het halen van prestatieafspraken die zij jaarlijks met het ministerie van Onderwijs maken. Als er te veel studenten uitvallen na het eerste jaar, worden ze op hun budget gekort. Als er te weinig les wordt gegeven, worden ze gekort. Als een studie niet goed aansluit op de arbeidsmarkt, worden ze gekort. Daar staat tegenover dat universiteiten en hogescholen die hun zaakjes goed op orde hebben, beloond worden met meer geld.

Als gevolg van al deze maatregelen is het hbo flink gegroeid. De universiteiten bieden onderwijs aan ongeveer 300.000 studenten, het hbo aan een half miljoen. Veel meer vwo-scholieren stromen het hoger beroepsonderwijs in. Niet alleen omdat er voor hen op de universiteit geen plaats meer is doordat cijferlijst of motivatie te wensen overliet, maar ook omdat het hbo een breed aanbod heeft van driejarige bacheloropleidingen, speciaal voor vwo’ers. Die sluiten aan op professionele masters, zodat ook de hbo-student met een mastertitel de arbeidsmarkt op kan gaan.

De gemiddelde studieduur is in 2020 fors gedaald. De overheid heeft om dat te bereiken wortel én stok gehanteerd. De onderwijsinstellingen moeten meer en beter les geven, terwijl van studenten wordt verwacht dat zij bij alle colleges aanwezig zijn én hard werken. Dan kan een studie worden afgerond in de tijd die ervoor staat. ‘Nominaal is normaal’, is de slagzin die het kabinet-Rutte aan deze gedragsverandering heeft gekoppeld.

Studenten zullen ook sneller gaan studeren omdat het volgen van hoger onderwijs duur is geworden. Tijdens de masterfase van hun studie krijgen ze geen basisbeurs meer. Wie meer dan een jaar uitloopt met zijn studie, moet een fors hoger collegegeld betalen. Er zal minder tijd zijn voor bijbaantjes en het doen van vrijwilligerswerk of bestuurswerk. Dat zal niet zonder gevolgen blijven voor de studentenverenigingen, die nu al moeite hebben om mensen te vinden die een jaar van hun studie willen opofferen.

Al deze veranderingen moeten worden bewerkstelligd zonder dat het hoger onderwijs éxtra middelen krijgt, tenzij de economie fors aantrekt. Als dat niet het geval is, moet de Nederlandse kenniseconomie zich opnieuw uitvinden, zonder dat het geld kost.