Zo blijft filosoof Michael Hampe zelf geïnspireerd

Michael Hampe doceert filosofie aan de universiteit van Zürich en schreef Het volmaakte leven.

Voor iedereen die wil nadenken over geluk.

„Wie het geluk zoekt, heeft de existentiële verplichting zijn eigen stem te vinden”, zegt de Duitse filosoof Michael Hampe (50). Uit zijn mond klinkt dat lang niet zo dramatisch als het hier misschien lijkt. Hij praat erg zachtjes. We zitten op de zolder van Uitgeverij Wereldbibliotheek in Amsterdam, die Hampes boek Het volmaakte leven. Vier bespiegelingen over geluk in vertaling uitbracht.

In Het volmaakte leven zoekt de fictieve filosofieprofessor Stanley Low een antwoord op de volgende vraag: kan het menselijk leven vervolmaakt worden en zo ja, langs welke weg kunnen mensen het geluk vinden? Het is het onderwerp van een prijsvraag onder vakgenoten, waaruit Low de vier beste inzendingen kiest. Dat zijn vier totaal verschillende, elkaar tegensprekende betogen: wetenschappelijk, spiritueel, nihilistisch en pragmatisch. Het volmaakte leven is een bundeling van deze verhandelingen van fictieve wetenschappers, met een voorwoord van Stanley Low en een afsluitend hoofdstuk door Lows vriend en voormalig collega Gabriel Kolk. Lang geleden had die zich al van de universiteit afgekeerd, onder meer omdat de hoogleraren filosofie ‘bijna allemaal ruzie met elkaar hadden en zich steeds meer verloren in steeds onbeduidender vragen van ofwel systematische, ofwel historische aard’, aldus Kolk. Hij liet zich omscholen tot hovenier en leidt een ‘ideaal leven’, zo vindt hij zelf. In zijn vrije tijd bestudeert hij wiskundige en filosofische problemen zonder in het ‘krankzinnige gedoe’ van een universiteit te hoeven meedraaien.

Het personage Gabriel Kolk verwoordt uw visie op ‘veelstemmigheid’, een filosofie die meerdere standpunten en niet maar één uitleg toelaat. Is uw boek een pamflet tegen het filosofieonderwijs aan universiteiten?

„Ja, filosofen aan westerse universiteiten proberen de natuurwetenschappen te imiteren en algemene verklaringen voor verschijnselen te vinden. Net als wetenschappers publiceren ze voor buitenstaanders onleesbare, specialistische essays in academische tijdschriften. Ik ook, want dat is onderdeel van mijn aanstelling in Zürich. Als docent ontdekte ik al snel hoe groot de afgunst en competitiedrang is onder academici. Om sneller resultaten te behalen, worden projecten steeds korter en daardoor oppervlakkiger.”

U houdt juist van de verhalen.

„Ja, er bestaat ook een filosofische traditie die dichter bij de literatuur staat, met Plato, Thomas More, Montaigne, Kierkegaard en tegenwoordig Pascal Mercier oftewel Peter Bieri, van wie ik nog les heb gehad. Maar die veelstemmige, verhalende traditie wordt op universiteiten helaas buitengesloten, omdat die niet wetenschappelijk kan worden toegepast.”

Hoe is er bij uw academische vakgenoten op dit boek gereageerd?

„Niet. Maar het boek was ook niet voor hen bedoeld. Ik heb het geschreven voor iedereen die wil nadenken over geluk. Het idee is dat je de verschillende theorieën in het boek serieus ‘uitprobeert’ om dan te merken dat ze niet echt aansluiten op je leven. Dus ik trek de theorieën niet op een theoretische manier in twijfel, maar maak ze juist zo aannemelijk als ik kan. Elke stem moet de lezer overtuigen. En is de lezer na overtuigd te zijn geraakt wezenlijk veranderd? Ik denk van niet.”

Zo werkt het dus ...

„Als je de taal van Marx of Nietzsche gebruikt als krukken om mee door het leven te gaan, dan word je niet gelukkig. Het weerhoudt je ervan concrete gebeurtenissen te zien. Als ik bijvoorbeeld mijn familieomstandigheden op een psychoanalytische of schopenhaueriaanse manier interpreteer, dan hang ik er een sluier voor. Theorieën verwijderen me alleen maar van wat er gaande is.”

Waar is het geluk dan wel te vinden?

„Als je dat wilt weten, moet je je zorgvuldig op je leven bezinnen: wat heeft me tot nu toe gelukkig gemaakt en waar werd ik ongelukkig van, dus welke patronen zet ik voort en welke laat ik vallen? Die levenspatronen zijn bij iedereen anders. Het vergt tijd en vooral veel moed om de sluiers van je leven te halen en in te zien dat je tot nu toe ‘verkeerd’ hebt geleefd. Het betekent dat je serieus neemt dat je leven eindig is.”

Wordt een mens daar gelukkig van?

„Het kan. Ik denk dat veel mensen religieuze of theoretische verklaringen zoeken om niet te hoeven beseffen dat ze bij wijze van spreken in de verkeerde film zijn beland. Geluk hangt vooral af van of je je eigen leven leidt. Als het je lukt om je leven accuraat te beschrijven zonder jezelf voor de gek te houden of in paniek te raken, dan heb je een kans op geluk.”

Kan verhalende filosofie dat inzicht versnellen?

„Ja, en ook de literatuur en beeldende kunst kunnen dat. De wetenschap ontdekt algemene wetten, waarmee technologie wordt geproduceerd die overal kan worden gebruikt. De literatuur en kunst geven ons kennis van bijzonderheden, het individuele perspectief. Kijk, als je huwelijksproblemen hebt, kun je een zelfhulpboek ter hand nemen, maar je kunt ook iets van Goethe of Schiller lezen. Volgens mij lezen mensen tegenwoordig liever dat zelfhulpboek. Terwijl de lotgevallen van Otto en Ottilie in Goethes Die Wahlverwandtschaften ons veel dichter raken dan de uitleg over onze endorfineaanmaak als we een orgasme hebben. De algemene theorieën in zelfhulpboeken proberen altijd iets te verklaren, terwijl datzelfde in romans heel precies beschreven wordt. In die precieze beschrijving kunnen we een vertaling naar ons eigen leven maken. Zo scherpt de literatuur onze opmerkzaamheid.”

Zelf zocht u al jong uw heil in de natuurwetenschappen: u wilde eerst diergeneeskunde studeren.

„Ja, op mijn tiende was ik al totaal gefascineerd door anatomie en lichamelijke mechanismen. In die periode kreeg mijn vader een ernstige hersenziekte, waar hij drie jaar later aan overleed. Zijn ziekbed was een enorme lijdensweg die pas een paar dagen voor zijn dood ophield: langzaam vielen steeds meer delen van zijn hersenen uit. Op die leeftijd kon ik zijn wrede dood niet rijmen met mijn protestantse opvoeding. Voor mijn gevoel klopte het niet dat God het grote overzicht had en tegelijkertijd de ellende van individuen negeerde.”

Nogal een vraagstuk voor een kind van die leeftijd.

„Ik ben dan ook van het geloof gevallen. Ik zocht mijn heil in dikke medische boeken in de bibliotheek. Ik wilde precies weten hoe het brein werkt om op die manier grip te krijgen op mijn vaders ziekte. Maar om nog meer over de anatomie te leren, richtte ik me op dieren, want in dierenlijkjes kon ik snijden. Dus zat ik als kind fanatiek kikkers en muizen te ontleden.”

Hielp het?

„Een beetje wel, maar er zat me nog steeds iets dwars: als lichamelijke processen alles moeten verklaren wat bij een levend wezen gebeurt, waar kwam mijn vaders intense doodsangst dan vandaan? Die angst had verschillende, moeilijk uit te leggen oorzaken. Ik denk dat daar de kiem is gelegd voor mijn interesse in filosofie. En hoewel ik door de ziekte en dood van mijn vader ongelukkig was, heeft die ervaring me wel geleerd om zelf na te denken, wat weer geholpen heeft bij het vinden van mijn eigen weg en dus een gelukkiger leven.”

Volgens Gabriel Kolk hangt het geluk samen met het gevoel ‘in de wereld voor te komen’. Bent u daar zelf in geslaagd?

„Bij vlagen wel, bijvoorbeeld wanneer ik schrijf, college geef of mediteer. Daarmee zeg ik overigens niet dat meditatie iedereen gelukkig maakt. Het is de combinatie van allerlei factoren die mijn leven gelukkig of minder gelukkig maakt. Het gaat om het gevoel dat je geen waarnemer bent van je leven, maar dat je door iets gedreven wordt en zelf ook iets aandrijft, zoals een tandwiel in een machine.”

U droeg uw boek op aan uw zoon, Hugo.

„Ja, en ik noem hem ook in mijn nawoord. Want vooral wanneer ik met mijn zoon iets onderneem denk ik niet meer beroepsmatig na over de wereld en mezelf. Dan kom ik gewoon in de wereld voor.”