Zie elke reis als een innerlijke reis

De Turkse schrijfster Elif Shafak probeert in een roman de contouren te schetsen van een modern soefisme, gebouwd op dat van de 13de-eeuwse Perzische mysticus en dichter Rumi. Is dat een goed idee of niet?

Elif Shafak: Liefde kent veertig regels. Vert. door Manon Smits. De Geus, 445 blz. € 19,90

Rumi: De leeuw die ging jagen... en andere dierenverhalen. Verzameld en naverteld door Wim van der Zwan. Altamira, 191 blz. € 14,90

‘In Konya vond de allesbepalende ontmoeting plaats tussen Rumi en de derwisj Shams van Tabriz’, schrijft Wim van der Zwan in de inleiding van zijn boek Rumi. De leeuw die ging jagen...’ Shams daagde Rumi uit zijn geleerdheid achter zich te laten en echt datgene te ervaren waarover hij doceerde. De twee sloten zich op en toen ze weken later weer tevoorschijn kwamen, was Rumi totaal veranderd: de geleerde werd mysticus.

In zijn boek vertelt Van der Zwan veel dierenverhalen uit de Masnavi, het belangrijkste werk van de Perzische soefidichter en mysticus Rumi (1207-1273). Hij is wereldberoemd, zijn verzen worden nog steeds overal vertaald en geciteerd, in Turkije en Iran, maar ook in de VS, waar hij de best verkochte dichter is. De UNESCO riep het jaar 2007 uit tot Rumi- jaar. Hoe kun je zin geven aan het leven – dat is de kernvraag die Rumi in al zijn verhalen probeert te beantwoorden. In ieder geval moet je je ‘ezel’ zien kwijt te raken, je ‘naf’, in hedendaagse termen je ‘ego’, je ‘dwingende of dierlijke zelf’. Soefiverhalen gaan vaak over overgave en liefde als spirituele ervaring.

Dat educatieve verhaal heeft de Turkse schrijfster Elif Shafak verpakt in haar onlangs verschenen roman Liefde kent veertig regels. Shafak (1971) promoveerde op islam, vrouwen en mystiek en verdiepte zich vanuit de sociologie en de politicologie in de literatuur uit en over het Midden-Oosten en de Islam. In 1998 debuteerde ze met Pinhan, The Sufi, waarvoor ze de Rumi Prijs kreeg, een prijs voor het beste literair mystieke werk. Al snel brak ze internationaal door met Het luizenpaleis, De bastaard van Istanboel en De heilige van de beginnende waanzin, succesvolle romans die haar tot een van de bekendste hedendaagse Turkse schrijvers maakten. Haar boeken draaien om verandering, identiteit, ballingschap, de ontmoeting van verschillende culturen én, zoals in haar recentste boek, de zin van het leven.

Ella Rubinstein, echtgenote van David, moeder van twee kinderen, wonend in Northampton, heeft alles wat haar hartje begeert. Toch voelt ze zich leeg en ongelukkig. Ze vindt een baantje als incidentele lezeres van manuscripten bij een uitgeverij.

Spirituele leider

Het eerste boek dat ze krijgt toegestuurd komt uit Amsterdam, heet Zoete blasfemie en is geschreven door A.Z. Zahara, ‘een historische, mystieke roman over de bijzondere band tussen Rumi, de beste dichter en hoogst gewaardeerde spirituele leider in de geschiedenis van de islam, en Sjams van Tabriz, een onbekende, onconventionele derwisj vol schandalen en verrassingen’, aldus Zahara in zijn begeleidende brief. Wat volgt zijn twee dooreen lopende verhaallijnen. Er is het leven van Ella, onze tijdgenote, die een correspondentie begint met de auteur van het boek dat ze moet beoordelen en door wiens denkbeelden ze volledig wordt gegrepen. Daarnaast lezen we, met Ella, Zahara’s roman en beleven we de queeste van Rumi en Sjams naar wijsheid en vriendschap, verteld door henzelf en door de ogen van 13de-eeuwse getuigen van hun leven.

Ella ziet de contouren van een nieuw leven opduiken. Ze beseft dat er een kern in het hare ontbreekt, een liefde die alles vult. Al lezend raakt ze ‘emotioneel van slag’, ze wordt verliefd op de schrijver met wie ze steeds frequenter mailt en neemt steeds meer afstand van de dingen die haar tot dan zo belangrijk toeschenen. Als reactie kookt ze het ene na het andere heerlijke maal – iets wat Shafaks personages vaak doen als hun leven op zijn kop staat. Dan ‘knapt er iets in Ella. Ze zou gewoon de wereld intrekken, waar aan de lopende band gevaarlijke dingen gebeurden’.

Met de tweede verhaallijn volgen we het klassieke verhaal van Rumi en Sjams, de zwervende derwisj, die speurt naar ‘een leven dat het leven waard is, en een kennis die het kennen waard is’. Sjams heeft ‘nergens wortels’ en kan dus ‘overal naartoe’. Als een moderne schrijver, zich bewust van de hedendaagse migratiestromen en hun problemen, laat Shafak zien wat Sjams’ tegenstanders zeggen van die vrije vogels die zich onttrekken aan een regelmatig leven met eigen huis en haard en er, mutatis mutandis, verschillende paspoorten op na houden. De invloed van die soefi’s is schandelijk en slecht, zeggen zijn orthodoxe critici, ‘drinken dansen, muziek, poëzie en schilderen zijn kennelijk belangrijker voor ze dan religieuze plichten’, ze zijn ‘de perfecte prooi voor Satan’. De letter van de wet geldt voor iedereen.

Maar wat zegt Sjams van Tabriz? ‘De sharia is als een kaars. Hij verschaft ons veel waardevol licht. Maar laten we niet vergeten dat een kaars ons helpt om in het donker van de ene plek naar de andere te gaan. Als we vergeten waarnaar we op weg zijn en ons in plaats daarvan op de kaars focussen, wat hebben we daar dan aan?’

Wijsheid

Zo valt de lezer van de ene wijsheid in de andere. Na hun ontmoeting sluiten Rumi en Sjams zich een maand lang op en bespreken ze iedere dag een van de Veertig Regels van de Rondtrekkende Mystici van de islam. Hun omgeving mort, hun vrouwen klagen, hun kinderen voelen zich gepasseerd door deze verterende liefde.

Ook de lezer ziet de veertig regels de revue passeren en misschien nog wel meer. Galoppeert Sjam er op zijn paard vandoor, dan komt regel 10: ‘Wat je bestemming ook is, zorg dat je van elke reis een innerlijke reis maakt’. Worstelt Ella met de stap naar een ongewisse toekomst, dan komt soefi Zahara met zijn visie: ‘de tijd concentreert zich op het huidige moment, alles buiten het ‘nu’ is een illusie’. Volgt Rumi Sjams dan volgt regel 32: Er mag niets tussen jou en God in staan. Geen imam, priester, rabbi of enige andere bewaker van moreel of religieus leiderschap’.

Zo probeert Shafak haar verlichte soefidom te verpakken in de vorm van een roman. Maar de roman zucht onder haar boodschap, knarst onder haar goede wil, piept bij elk cliché, hapert bij ieder inzicht dat Shafak de lezer wil meegeven. Wie met Shafak als serieuze romancier kennis wil maken kan beter een eerdere roman ter hand nemen. Wie een gepopulariseerde versie van de geschiedenis van het soefisme wil lezen, grijpe naar deze geromantiseerde illustratie van het historische soefi-gedachtegoed. Want informatief is het boek wel. Wat betekent bijvoorbeeld de beroemde draaiende dans van de derwisj? ‘De honingkleurige hoed staat voor de grafsteen, de lange witte rok voor de lijkwade en de zwarte mantel voor het graf’. De dans verbeeldt ‘hoe soefi’s het hele Ik wegdoen, alsof ze een oude huid afwerpen’.