Zelfportretten kritisch vergeleken


Eichenholz (1629)
Rembrandt Harmensz van Rijn [1606 - 1669]
Objektma· 15,6 x 12,7 cm
Inventar-Nr.: 11427
bpk / Bayerische StaatsgemÃ?ldes

Rembrandt en Degas. Twee jonge kunstenaars. Rijksmuseum, Amsterdam. T/m 24/10, ma-zo, 9-18 uur. Inl: rijksmuseum.nl ****

In zelfportretten konden de oude meesters zich dingen permitteren die ze in portretten van anderen niet zo gauw zouden doen. Ze konden gekke bekken trekken voor de spiegel, om te oefenen op gelaatsuitdrukkingen. Of hun gezicht grotendeels in de schaduw laten, zodat je moeite moet doen om iets te zien. Rembrandt schilderde omstreeks 1628, dus rondom zijn 22ste, zo’n zelfportret als tegenlichtstudie: dat is nu een topstuk in het Rijksmuseum. Kort daarna maakte hij een kleinere variant, die normaal gesproken in de Alte Pinakothek in München hangt. Maar sinds gisteren is ook dat in het Rijksmuseum te zien, op Rembrandt en Degas.

Het is een groot plezier te zien hoe de jonge schilder in de schaduwpartij van nog donkerder accenten een gezicht heeft gemaakt. In de Rijksmuseum-versie lijken de ogen misschien nog iets te veel op zwarte gaten. In de Münchener versie zijn de schaduwen zachter en de wenkbrauwen beter zichtbaar, waardoor de suggestie van een blik sterker is.

Behalve met elkaar zijn Rembrandts vroege meesterwerkjes in Amsterdam ook te vergelijken met vier vroege zelfportretten van de Franse schilder Edgar Degas (1834-1917), geleend uit Amerikaanse collecties. Van beide kunstenaars hangen er bovendien geëtste zelfportretten, want de jonge Degas werd in de eerste plaats als graficus door Rembrandt geïnspireerd.

Rembrandts behandeling van licht en schaduw is wel radicaler dan die van Degas. Er valt fel licht op zijn oorlel, wang en neus; in de rest van het gezicht is het echt verrekte donker. Degas speelt met schaduwen, maar zijn zelfportretten zijn conventioneler. In drie van de vier wordt ten minste één oog belicht, en waar de ogen in de schaduw vallen is die schaduw toch zo doortekend dat je er met gemak oogwit en wimpers in herkent.

Maar waar Rembrandt gedurfder met de belichting omgaat, daar is bij Degas de portretmatige kant beter. Steeds zie je hetzelfde gezicht, met de lange neus, de kleine volle mond, het ringbaardje dat de kaaklijn versterkt en de kalme maar alerte oogopslag. Degas’ zelfportretten lijken zo op elkaar dat ze ook wel op hemzelf geleken zullen hebben. Rembrandt daarentegen heeft wel steeds een rond hoofd, een grote neus en rossige krullen, maar zijn trekken verschillen per portret (of het tegenlicht verduistert ze). Je krijgt geen scherp beeld van hoe hij er werkelijk uitzag. Misschien had hij daar ook geen duidelijk beeld van. Je bekijkt jezelf nooit objectief.

Hetzelfde geldt trouwens voor de zelfportretten van Vincent van Gogh. Van hem hangen verderop aan het Museumplein, op de tentoonstelling Nieuwe inzichten in het Van Goghmuseum, twee schilderijtjes naast elkaar die altijd zelfportretten heetten, maar waarvan er nu één wordt gepresenteerd als een portret van zijn broer Theo. Omdat ze zo verschillend zijn. Maar Van Gogh was geen handige portrettist. Zijn zelfportretten zijn sowieso heel verschillend, net als die van Rembrandt, dus het gaat nogal ver om op basis van subtiele verschillen te zeggen: die lijkt niet op Vincent, dat moet Theo zijn.

Zo’n stellige bewering leidt er wel toe dat bezoekers gaan meedenken met de experts. Door de schilderijen te vergelijken ga je aandachtiger kijken. Precies hetzelfde gebeurt nu in de Rijksmuseumzaal waar de portretten van Rembrandt en Degas, net als hier boven, naast elkaar hangen.