Wij niksen hier niet om niets

Bart Moeyaert: De Melkweg. Querido, 150 blz. €12,95

De Melkweg van Bart Moeyaert is zoals een met nadruk góede film, die je gezien moet hebben. Een trage Aziatische film, of zo’n realistische Waalse film. Alleen het verhaal gaat zo langzaam en het decor is zo kaal, dat je heen en weer gaat schuiven op je stoel. Wanneer gaat het nou beginnen?

De kunst is om te blijven zitten, zodat je echt gaat kijken, luisteren en ontvankelijk wordt voor de mooie zinnen en observaties.

De Melkweg in het boek is de naam van een zijstraatje waar, het zal niet verbazen, weinig voorbij komt. Oskar, zijn oudere broer Bossie en hun gezamenlijke vriendin Geesje hebben er hun zogenaamde clubhuis: ze zitten bovenop de muur van het sloopbedrijf Oud IJzer CV. Het is het einde van de zomer en erg warm. Zoals dat gaat in dat soort films, gebeurt er vrij weinig en praten de hoofdpersonen nauwelijks. ‘We hielden ons bezig met niksen, en niksen was niet hetzelfde als vervelen.’

Des te meer suggereert Moeyaert. De sfeer is broeierig en het lijkt of er elk moment van alles mis kan gaan. Daar is reden genoeg toe, de moeder van Bossie en Oskar is al maanden in Italië om orde te krijgen in de ‘wirwar’ in haar hart en hoofd. Vader werkt voor een krant en schrijft ’s nachts op wat hij overdag bedenkt. Maar over de eenzaamheid van de broers gaat het alleen terloops.

De enige gebeurtenis van betekenis waar Oskar, Bossie en Geesje zich mee bezig houden is het dagelijkse wandelingetje van een oude dame (‘Nancy Sinatra’) en haar teckel. ‘Als je Nancy en Jeckyll in de buurt van de Melkweg zag, dan wist je dat het bijna zes uur was’. Tot ze opeens niet komen opdagen. Zijn ze dood?

De Vlaming Moeyaert is onlangs – opnieuw – genomineerd voor twee internationaal prestigieuze prijzen op het gebied van jeugdliteratuur, de Hans Christian Andersen Award en de Astrid Lindgren Memorial Award (uitslag april 2012). Kinderliteratuur inderdaad, al is het van belang om bij Moeyaert vrijwel altijd toe te voegen: ook geschikt voor volwassenen.

Soms komen de stilistisch fijngeslepen zinnen van Moeyart al te bedacht over. Heb je het ene beeld nog maar net verwerkt (‘Volgens mij droeg ze het licht op haar rug. Ik moest mijn ogen tot spleetjes knijpen om haar te zien’), komt de volgende vergelijking er overheen: ‘Ze droeg een zwarte rolkraagtrui waarin haren en houtkrullen en vleugels van langpootmuggen hingen. De trui zag eruit zag of hij sinds de winter niet meer was gewassen’. Erg is dat niet, je leest de zin nog eens en dat kalmeert. Als je het boek uit hebt ben je blij dat je bent blijven zitten.