Verschil in slachtritus

Ik kan me vinden in de kritische bespreking door Ajal Notowicz van het amendement-Van Veldhoven bij het initiatiefwetsontwerp-Thieme, die steun krijgt van D66, PvdA, VVD en GroenLinks, (Opinie, 27 juni).

Helaas heeft hij iets over het hoofd gezien. De bestaande wet maakt een wezenlijk onderscheid tussen de israëlitische en de islamitische slachtritus. De wetgever heeft het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap en het opperrabbinaat specifiek belast met toezicht op de slacht volgens de israëlitische ritus. Zo is het opperrabbinaat verantwoordelijk voor de beoordeling of vlees op de juiste wijze is geslacht.

Het amendement-Van Veldhoven gaat onzorgvuldig om met deze verantwoordelijkheden. Dit is op zichzelf al een zware schending van de regels van het staats- en bestuursrecht, nog los van de inbreuk op de vrijheid van godsdienst. Het is bovendien een unicum in de parlementaire geschiedenis dat de Tweede Kamer gedurende de behandeling van het initiatiefwetsvoorstel niet heeft gevraagd om het standpunt van de regering.

Ook om een andere reden moet de israëlitische ritus worden onderscheiden van de islamitische. Alleen de israëlitische ritus valt onder het grondrecht van de vrijheid van godsdienst. De niet-bedwelming is bij de israëlitische ritus een ‘religieus’ vereiste. Deze valt onder artikel 6 van de Grondwet en artikel 9 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Bij de islamitische ritus is geen sprake van religieuze dwang. De enige reden dat het ook moslims was toegestaan om ritueel te slachten, was dat ze niet mochten worden achtergesteld bij Joden.

Harry Melkman

Amsterdam