Sterrenstof op de Pont Neuf

Hard, romantisch, exotisch. Elke wereldstad heeft haar eigen imago. NRC Handelsblad gaat deze zomer op zoek naar de werkelijkheid achter het cliché van de wereldstad. Elke week een andere, op deze pagina’s en op zaterdag in de bijlage Lux. Deze week: Parijs.

De film Le salaire de la peur van Henri-Georges Clouzot (1953) speelt zich niet af in Parijs, niet eens in Frankrijk. Toch is de stad aanwezig in het niet nader genoemde Zuid-Amerikaanse land waar Yves Montand een vrachtwagen door de jungle moet rijden. In zijn morsige hotelkamer hangt Montand ter decoratie een kaartje van de Parijse metro aan de muur.

Parijs. Ook wie er nog nooit geweest is, kent de stad, uit de bioscoop. Uit An American in Paris en Sous les toits de Paris, uit Paris qui dort en Paris s’éveille, uit Last Tango in Paris en Midnight in Paris en uit de nog tallozer titels die de naam van de stad niet voeren maar zich er wel afspelen. Op de grote boulevards of de kades van de Seine, in chique restaurants en treurige hotels, op beroemde monumenten en in onbekende straatjes, in stralend technicolor of somber zwart-wit.

Parijs is een van de meest gefilmde steden ter wereld. Misschien omdat het toen de film werd uitgevonden al de meest geschilderde stad ter wereld was. Pittoresk is Parijs nog steeds in de bioscoop; vooral in Amerikaanse films blijft Parijs de schilderachtige wereldhoofdstad van de romantiek waarin elk huis uitzicht heeft op de Eiffeltoren. Maar ook de Fransen zelf zijn er in gaan geloven, bewees in 2001 Le fabuleux destin d’Amélie Poulain, dat Montmartre ontsmette en er een pretpark van maakte waar Disney jaloers op zou zijn. Een toeristische droom.

Er zijn ook in de bioscoop andere Parijzen, het ‘Paris noir’ van de policiers en de oorlogsfilms, waarin het vaak regent op Lino Ventura of Jean Gabin, of het Parijs van de nouvelle vague, van François Truffaut en Jean-Luc Godard, waarin die regen wordt afgewisseld met de zonneschijn van de vrijheid.

In die films voltrekt zich een verwarrender wonder dan in de films die de stad als la vie en rose presenteren: dankzij de kracht van belichting, kadrering, intensivering blijft Parijs er net zo aantrekkelijk in. Zo verneuken deze twee soorten films je eigenlijk allebei: de eerste soort omdat nu eenmaal niet elk huis in Parijs uitzicht heeft op de Eiffeltoren, de tweede soort omdat uitzicht op een saaie muur nu eenmaal alleen maar adembenemend kan zijn in een film.

De gevangenis die Jean Genet zo lyrisch filmde in Un chant d’amour is zonder zijn blik, zonder zijn verhaal, zonder zijn acteurs, gewoon een gevangenis. Maar het sjofele hotel waar Jean Seberg logeert in À bout du souffle is dankzij Jean-Luc Godard net zo aantrekkelijk als de Ritz. Zo is er in de bioscoop eigenlijk weinig verschil tussen Place Vendôme en Place Pigalle, tussen de Rive Gauche en de Rive Droite of zelfs tussen Parijs binnen of buiten de Périférique, al zijn er voor dat laatste weinig bewijzen. Ook film is een romantische kunst.

In Parijs zoeken naar filmlocaties is dus een melancholieke onderneming: zoals het er op het witte doek uitzag, zo kan het in het echt niet zijn. Een pelgrimage is dus werkelijk een ode aan ‘de zevende kunst’, zoals film in het Frans nog steeds genoemd wordt. Buiten de bioscoop valt alles tegen, ook jijzelf. Zelfs op de Pont Neuf word je geen Juliette Binoche, in La Coupole geen Alain Delon, in de laatste metro geen Catherine Deneuve. Maar die locaties kunnen wel dienen als bewijs, als het glazen muiltje van Assepoester of de bloem van Coleridge, een bewijs dat toverij echt bestaat. Op deze plekken is sterrenstof neergedwarreld.

Parijs was er al vroeg bij, bij de zevende kunst. Hier werd in 1895 de eerste filmvoorstelling voor betalend publiek gehouden, hier stond de eerste filmstudio. Volgens de gemeente Parijs worden er nu elk jaar achthonderd films opgenomen. De gemeente bevordert de komst van binnen- en buitenlandse regisseurs. Op de site van de gemeente staan foto’s van het opnemen van films die de bioscoop nog moeten bereiken, zoals Hugo Cabret van Martin Scorsese. Al klaar, maar nog niet in Nederland te zien is Midnight in Paris van Woody Allen, die de toeristische visie op Parijs op de spits dreef door zijn hoofdrolspeler naar het verleden te laten reizen. Toeristen proberen altijd in een tijdmachine te stappen: ze willen niet het Parijs van nu maar van vroeger zien. Vaak kan dat niet omdat een stad nu eenmaal verandert, al lijkt het in Parijs meer mogelijk dan elders.

Heel soms gaat de werkelijkheid geleidelijk op een oude film lijken. Ook dat gebeurt in Parijs. Marcel Carné maakte in 1938 Hôtel du Nord, een film die zich afspeelt rondom een hotel aan het Canal Saint-Martin dat toen de bijnaam ‘Hotel van de vliegende luizen’ droeg. Carné nam de film geheel op in een studio, waar hij hotel en kanaal liet nabouwen. Dankzij de film werd het echte Hôtel du Nord, inmiddels nog meer vervallen, in 1989 tot nationaal monument verklaard en herschapen naar het beeld uit de film.

Ook een locatie uit een film die zich helemaal niet in Parijs afspeelt zal in de Franse hoofdstad verrijzen. In september opent in de rue Montmartre de Club Silencio, die eerst was gevestigd in Mulholland Dr., een film uit 2001 van David Lynch. De Amerikaanse regisseur doet de vormgeving zelf.

In de buurt van Los Angeles had je vroeger ‘movie ranches’, boerderijen met paarden die vooral of uitsluitend voor het opnemen van westerns gebruikt werden. In die zin is Parijs de eerste ‘movie city’.

Morgen in Lux: Parijs vanaf het waterVanaf maandag in De Grote Wereld: Istanbul