Kroketten aan de costa of avonturieren in authentiek Botswaans dorp

Er zijn van die verworvenheden die de gemiddelde Nederlander zich nooit meer laat afpakken. Eén daarvan is het onvervreemdbare, ten minste een keer per jaar op te eisen recht op vakantie. Crisis? Die houdt hem niet thuis. Gedurende de crisis ging de Nederlander niet alleen elk jaar vaker op vakantie, hij gaf ook ieder jaar meer uit. Alleen vorig jaar was er een lichte daling van 0,5 procent in het aantal vakanties en de vakantiebestedingen. Maar nog steeds besteedden Nederlanders in 2010 2 miljard euro meer aan vakanties dan voor de crisis.

De afgelopen decennia hebben we geduldig onze grenzen verlegd. Sinds de Tweede Wereldoorlog trekt de Nederlander er steeds vaker op uit en reist hij steeds verder weg. Een jaar of dertig geleden was het heel normaal om nooit buiten Europa te zijn geweest, nu ben je een uitzondering als je thuisblijft. Ook de tweede vakantie, het weekeindje weg, en de wintersport behoren tot de vanzelfsprekendheden die het leven van de bemiddelde Nederlander zo aangenaam maken. Vakantie is zo vanzelfsprekend, dat werkgevers er in mei verplicht aan meebetalen. En mensen zeggen niet alleen dat ze zin hebben op reis te gaan. Nee, ze zijn ‘aan vakantie toe’, hebben het zelfs ‘nodig’.

Dat was voor de Tweede Wereldoorlog wel anders. Toen ging je alleen op vakantie als je rijk was, of van adel. Tijdens de wederopbouw begonnen Nederlanders voorzichtig over de grens te kijken. Het moest wel sober blijven, vakantie was een luxe. Buitenlandse vakanties gingen meestal niet verder dan Frankrijk of Oostenrijk. Vanaf de jaren 70 nam de welvaart toe, en werd vakantie voor iedereen. De prijzen van vliegtickets daalden, de eerste grote bungalowparken werden geïntroduceerd en touroperators als Peter Langhout organiseerden vanaf de jaren 80 goedkope busreizen naar zonbestemmingen in Europa. Inmiddels kun je voor 300 euro een week all-inclusive naar het Turkse Antalya. Dat heeft vakantie voor bijna iedere Nederlander bereikbaar gemaakt. Vorig jaar ging ruim 80 procent van de Nederlanders een of meerdere keren op vakantie. Nederlanders ondernamen 36 miljoen keer een reis en gaven daar 15 miljard euro aan uit.

Wie is dat, de Nederlandse toerist? Er zijn twee archetypen. De costaganger is de toerist die niets liever wil dan alles wat Hollands is mee op vakantie nemen. Vanaf de jaren 70 begonnen de jaarlijkse volksverhuizingen naar de enclaves aan de Spaanse costa’s, waar je inmiddels in het hoogseizoen kroketten van de Febo kunt eten, een Nederlandse krant van dezelfde dag kan lezen en Nederlands de voertaal is. De costaganger heeft weinig andere behoeften dan zon, zee en strand. Verder mag alles zo blijven als thuis.

Zijn tegenhanger is de avontuurzoeker die er alles aan doet de massa’s te ontwijken. Hij is allergisch voor toerisme. Dus trekt hij naar Kazachstan, Botswana of Mauretanië, op zoek naar dorpjes die hij ‘authentiek’ noemt, mensen die ‘zo dicht bij zichzelf gebleven zijn’, en natuur die ‘ongerept’ heet. Het thuisfront is blijkbaar onecht, losgeslagen en verpest, maar heeft dan weer wel schone bedden, een regelmatig inkomen, en een rechtsstaat. Ondanks zijn bewondering voor al dat authentieke leven, zal de avontuurzoeker niet snel afstand doen van zijn westerse levensstijl. Arnon Grunberg vergeleek daarom toeristen met hoerenlopers. De toerist zoekt het paradijs, maar „wil niet blijven, alleen maar genieten, tegen een schappelijk uurtarief”.