In het bad

Hoe zielig het ook klinkt, kort samengevat kwam mijn situatie hierop neer: omdat mijn dochter met haar man naar een popconcert moest, zat ik in een doorweekte spijkerbroek naast mijn badkuip, vrijwel tot de rand gevuld met lauw water en twee kleinkinderen.

De oudste, een jongetje, liet me zien hoe hij op zwemles ‘onderwaterse draaiingen’ (zijn woorden) heeft geleerd, zijn zusje probeerde op de spiegelgladde rand van de kuip te gaan staan terwijl ik me even omdraaide om de spatten op mijn brillenglazen te verwijderen. Op de vloer van de badkamer begonnen zich plassen water te vormen, en ik wist weer waarom ik terecht niet in het onderwijs was gegaan: orde houden was mij niet gegeven.

„Doe er even warm water bij”, riepen ze.

„Het is vol genoeg”, zei ik.

Toen draaiden ze de kraan maar zelf open. Waarom greep ik niet harder in? We willen allemaal een lieve opa of oma gevonden worden – daar begint het mee. Als we straks begraven worden, is welgemeend uitgesnikt kinderverdriet op de voorste rij mooi meegenomen. Bovendien vinden we dat kleinkinderen van hun vrijheid mogen genieten als hun ouders, de vaste toezichthouders, dat ook doen.

Hierin schuilt een groot gevaar, ik besef het. Wij babyboomers hebben al een slechte naam bij de jongere generaties – parasieten, graaiers en egoïsten zijn we, luie pensionado’s, die de jongeren het licht in de ogen niet gunnen. Hoe heftig zal hun toorn zijn als blijkt dat we ook nog hun kinderen verpesten in de uren dat ze bij ons gestald worden? Op een dag zullen ze achter die verwende monsters onze slappe handjes ontdekken en dan is de clash van de generaties een feit.

In de strijd om de sympathie van het kind is het bad een machtig wapen. Ik merkte het toen mijn kleinzoon bij herhaling aan zijn ouders vroeg wanneer ze nou toch eindelijk weggingen, naar dat popconcert. Toe nou. Dan kon hij met zijn zusje in het bad. Wat was er fijner? Thuis hadden ze geen bad, alleen een douche.

Het was alsof ik mezelf als kind hoorde praten. Ik wilde ook altijd in bad. En dat kon ook nog. Wij woonden in de jaren vijftig in een oud, maar groot rijtjeshuis waarin de vorige eigenaar een riant bad had laten aanleggen. Zo’n lang, ingemetseld bad waarin je je helemaal kon uitstrekken. Ik deed niets liever. Sudderen in warm sop dat je op temperatuur houdt met een vernuftig beheer over in- en uitgaande stromen. Eventueel het transistorradiootje, afgestemd op radio Luxemburg, ernaast. En dan maar hopen dat je vader niet kwam binnenvallen met de volstrekt irrelevante mededeling dat buiten de zon scheen.

Mijn liefde voor het bad is altijd gebleven. Het is dé plek waar het leven in alle rust en onthechting overdacht kan worden. De geluiden uit de rest van het huis dringen nog maar gedempt tot je door, het water sluit zich als een warme want om je lichaam terwijl je je gedachten de vrije loop laat. De wereld bestaat niet meer, er is alleen nog maar die kuip.

Boeddha in bad.

Mijn vrouw wilde in onze nieuwe behuizing liever een douche. In zo’n cel waarin je doodgestoken kunt worden, zoals Hitchcock heeft laten zien. Ik hield voet bij bad. Er zijn momenten in het leven dat je weet: tot hier en niet verder. En zie: nu moet ik vaak moeite doen om haar uit dat (mijn!) bad te krijgen.

Dankzij mijn kleinkinderen is de cirkel rond. Wij zijn een geslacht van badmensen. Onderwaterse draaiingen, daar knappen wij van op.