In één adem vloeken en bidden

Aan bizarre wendingen geen gebrek in de nieuwe romans van Geertrui Daem en Walter van den Broeck. Tweemaal pure Vlaamse verbeeldingskracht.

Geertrui Daem: De bedlegerige. De Bezige Bij, 318 blz. € 22,50

In De bedlegerige, de nieuwe roman van Geertrui Daem, bevinden we ons in een buitenwijk van Antwerpen, eind jaren vijftig. Daar rijdt op een dag koning Boudewijn de Industriestraat binnen. Hij komt een bezoek brengen aan een ernstig zieke textielarbeider die een wonder zou hebben verricht bij een meisje. In zijn gevolg bevindt zich zijn grootmoeder Elisabeth. Terwijl Boudewijn stijfjes iets van papier voorleest, steelt Elisabeth, ‘de Rode Koningin’, de show door à l’improviste haar afschuw uit te spreken over de Koude Oorlog en haar sympathie te betuigen met de arbeidersbeweging. Het is begrijpelijk dat de 82-jarige daarna maar snel dement wordt verklaard door de minister van Buitenlandse Zaken.

De bedlegerige is gewijd aan de mysterieuze verlammingsziekte van de 17-jarige Baziel Cleemput. Het is duidelijk een ander soort boek dan Koud (2001), dat gewijd was aan ontheemde Korea-veteranen, of Ik bemin u bovenal (2009), waarin het ging over zielige oma’s, depressieve moeders en slechte huwelijksrelaties. Aan dit soort troebelen is Baziel nog niet toe. Hij moet eerst nog afrekenen met zijn tirannieke moeder. Tot het eind blijft duister waarom Baziel ‘niet in zijnen haak’ is, om met ma Cleemput te spreken, en waarom zijn ledematen zwaar aanvoelen ‘als pootaarde’. Lijdt hij aan ruggegraatverweking als gevolg van overmatig masturberen? Is hij het slachtoffer van Britse radioactieve straling, vrijgekomen bij de ramp met de kernreactor in Windscale, die volgens Nonkel Roger met een sterke rechtstreekse westenwind precies door zijn open zolderraam naar binnen is gewaaid? Heeft hij zich lam gezopen, zoals zijn voetbalvrienden menen? Of is het aanstellerij, zoals zijn vader veronderstelt?

Halverwege het boek wordt een andere diagnose gesteld: een hersentumor. De arts wil de patiënt graag experimenteel behandelen door met ‘een naaldpunt radium’ de kankercellen ‘eenvoudig te verbranden’. Maar Baziel, die door Windscale al voldoende bestraald meent te zijn, weigert om als proefkonijn dienst te doen. Hij laat zich liever onbehandeld naar huis sturen. Wij maken ons dan alvast op voor de sterfscène. Die komt er ook wel, maar een heel andere dan verwacht. Aan het eind van de roman komt Daem met een verrassend nieuw perspectief voor de bedlegerige. Hij gaat met zijn slap geworden benen toch nog aan de wandel.

De bedlegerige is geschreven in een soepele stijl, die wel eens aan Claus en Pleysier doet denken. Daem heeft het vaak over poep en pies, sperma en snot, maar dat wordt net niet hinderlijk of melig. Er zit veel woede en frustratie in dit boek. En verder is er droge humor, die de zware ziektegeschiedenis licht verteerbaar maakt. Als een eenbenige, agressieve invalide er in een bedevaartsoord vandoor probeert te gaan met de nieuwe rolstoel van Baziel, komt Nonkel Roger kalm tussenbeide. ‘Stapt er maar uit, kameraad’, lezen we dan. ‘Dat gerief is naar het schijnt niet van u.’

Dan is er de wonderlijke ontmoeting met het invalide meisje Hilda. Baziel komt haar tegen in een Vlaamse replica van de Lourdesgrot. Daar is ‘de bedlegerige’ door ma Cleemput naartoe gesleept om genezing af te smeken. Als Hilda per ongeluk met Baziel in botsing komt, kan ze ineens weer lopen. Deze botsing maakt hem in één klap tot ‘de genezer van Oostakker’. Een aandoenlijke scène. Al even aandoenlijk is de episode die erop volgt, waarin Baziel twee schuchtere jongetjes op verzoek van hun moeder ‘geneest’ van bedplassen.

Baziel en ook andere romanfiguren lijden onder hevige stemmingswisselingen. Er wordt hier, vaak in één adem, gevloekt en gebeden. Bedevaartgangers knielen devoot neer voor een Mariabeeld om zich het volgende moment als vernielzuchtige hooligans te gedragen. Nu eens wordt ma Cleemput op het schild gehesen, omdat zij zoveel voor haar zieke zoon betekent, dan weer maakt hij haar uit voor ‘lompe koe’.

Dat is wat Daem in deze montere roman tot uitdrukking heeft willen brengen: niets ligt vast, kansen kunnen zomaar keren. De druistige spits van FC Scheldezonen kan van de ene dag op de andere veranderen in een verlamde zielepoot. Die zielepoot, die zijn eigen billen niet eens kan wassen, kan zomaar uitgeroepen worden tot wonderdokter. En dus hoeft ook niemand er vreemd van op te kijken dat na negen maanden van bedlegerigheid een lamme zo ongeveer over het lijk van zijn moeder de benen neemt. Eindelijk volwassen.