Huiskamer van porfier

Er is door de jaren heen veel veranderd in de Tour. Van epos van ontbering naar een reclamezuil met een te lange staart. Van scheve dwergen op de fiets naar halve intellectuelen. En van het ijzeren ros naar de erotische glans van titanium en carbon. Wat hetzelfde is gebleven, is de intimiteit van La Grande Boucle. Als een embryo, bijna, eigengereid naast de globalisering. De Tour als huiskamer.

Niets blijft geheim.

Een aanval van diarree, zadelpijn, heimwee, opgebroken relaties… alles van de renners zullen we weten. Zoals we al wisten dat Alberto Contador een ‘cavernoom’ in het hoofd had en dat zijn broer Raul in een rolstoel zit. Of nog dat de vader van Andy Schleck aan een tolpoort is opgehouden bij een dopingrazzia. De Tour als röntgenfoto van groot en klein leed.

Ons eigenste porfier.

Altijd weer een nieuwe generatie in het wiel van oude legendes. En soms omgekeerd. Robert Gesink zal niet meteen de Adelaar van de Achterhoek worden genoemd, maar ooit zegt iemand dat hij aan Federico Bahamontes doet denken. Wout Poels is nog niet de Engel van de Alpen, maar in een begenadigde dag kan hij zomaar op Charly Gaul lijken. Namen zijn inwisselbaar, renners nauwelijks.

De Tour is de laatste jaren geseculariseerd. Niemand leeft nog in een waas van onschendbaarheid. Gisteren, bij de ploegvoorstelling, werd drievoudig Tourwinnaar Alberto Contador uitgejouwd. Eerder had Eddy Merckx in een niet al te subtiele verdachtmaking nog eens herinnerd aan het rare clenbuterolverhaal van de Spaanse kampioen.

Geen klasse van Merckx die ooit zelf positief testte in de Giro, toen dopingjacht nog selectief was. Dus, ze konden er niet meer naast kijken. Joop Zoetemelk is chiquer en slimmer in de discretie.

Doping in het wielrennen: het is als pedofilie in de kerk – een slepende ziekte. Maar de troostrijke schoonheid van de liturgie blijft overeind. We hebben de keuze: of we laten ons de komende weken gek maken door insinuaties en geruchten over het spul, of we kiezen voor heroïek op de Galibier.

Ik ga voor het laatste.

En als er toch een onverlaat met een paardenmiddel in de benen tussen zit, neem ik dat op de koop toe. Jean Robic en Jacques Anquetil zagen in hun tijd scheel van de cognac en de amfetamines, maar ze werden wel op handen gedragen. Er mag iets mee vergevingsgezindheid over het peloton neerdalen. Je kan veel van Contador zeggen, maar zie hem dansen in de bergen, en je hapt naar adem van ontroering. Die schoonheid heeft diergeneeskunde niet in het pakket.

Mooi en ontroerend zijn ook de avonden in de Tour. Als je de mecaniciens op rossige hotelpleintjes ziet buigen naar hun fietsen, zoals een Afrikaanse moeder naar haar kinderen. Ondertussen strooiend met prachtige klankkussen van suizende stuurlinten, knarsende remmen en zingende spaken.

Muziek uit zwarte nagelranden.

Als een volle ader stort de Tour zich iedere dag over Franse dorpen. En ook over de verbeelding in Drenthe en Limburg. Want Nederland dreigt stilaan weer een wielernatie te worden.

Wie weet wordt straks het ouderlijk huis van Robert Gesink of Bauke Mollema in de kleuren van de bolletjestrui overschilderd, zoals destijds de stulp van Steven Rooks.

Alleen missen we in het kabinet een fietsgek als Dries van Agt. Mark Rutte weet niet eens wat een klikpedaal is, laat staan dat hij een derailleur zou kunnen lezen.

Nee, meneer, Luis Leon Sanchez is geen operazanger en Philippe Gilbert speelt geen klavecimbel.