Een verre neef van de dood

Téa Obreht: The Tiger’s Wife. Weidenfeld & Nicholson, 336 blz. € 8,99

Als schrijver moet je veel dingen uit de weg gaan (writer’s block, de dood, tevredenheid), maar je moet vooral zien te voorkomen dat je als gedoodverfde winnaar op een shortlist terechtkomt. Literaire jury’s houden van verrassingen. Dat bleek begin juni weer bij de uitreiking van de Orange Prize.

Iedereen dacht dat Emma Donoghue de prijs (voor het beste door een vrouw geschreven boek) zou krijgen voor haar roman Room, maar de dertigduizend pond ging verrassend genoeg naar de debuutroman The Tiger’s Wife van de vijfentwintigjarige Téa Obreht.

Helemaal uit het niets kwam Obreht niet. Ze publiceerde eerder in The New Yorker, en hetzelfde blad plaatste haar in de zomer van 2010 op de lijst van twintig veelbelovende schrijvers onder de veertig, samen met auteurs als Jonathan Safran Foer en Nicole Krauss.

Binnen een jaar van veelbelovend naar bekroond. Toen Obreht de prijs kreeg, stond ze trillend van de zenuwen op het podium, maar die nervositeit ontbreekt in haar proza. The Tiger’s Wife is een zelfverzekerd debuut, waarin Obreht thema’s uit oude volksverhalen mengt met recente geschiedenis. Resultaat: een roman die solliciteert naar het aloude etiket ‘magisch realisme’ en die ondanks Obrehts afkomst eerder Zuid-Amerikaans dan Oost-Europees aandoet.

Joegoslavië

Obreht werd in 1985 geboren in het voormalig Joegoslavië. Ze woonde in Belgrado, tot haar familie in 1992 het oorlogsgeweld ontvluchtte. Via Cyprus en Egypte belandde het gezin in de Verenigde Staten, waar Obreht nog steeds woont. Ze schrijft in het Engels.

In The Tiger’s Wife keert ze terug naar haar wortels. Het land waar het boek zich afspeelt blijft naamloos, maar is duidelijk herkenbaar als het uiteengevallen voormalig Joegoslavië, en de eveneens naamloze stad waar de hoofdpersoon opgroeit, vertoont grote overeenkomsten met Belgrado.

Die hoofdpersoon is de jonge arts Natalia. Als kind had ze een vast ritueel met haar opa: een bezoek aan de tijger in de plaatselijke dierentuin. Als het boek begint, is die grootvader net overleden. Natalia reist dwars door het land, dat kampt met de naweeën van de oorlog, om medicijnen naar een weeshuis te brengen. Ze blijkt zich vlakbij het dorpje te bevinden waar haar grootvader onder mysterieuze omstandigheden stierf. Ze gaat erheen in de hoop dat ze het raadsel kan oplossen. Ondertussen herinnert ze zich de oorlogstijd, toen ze als puber bij haar grootvader opgroeide, en denkt ze terug aan de verhalen die hij vertelde.

Die verhalen lijken gebaseerd op tijdloze overleveringen, waarin bijgeloof en het bovennatuurlijke een grote rol spelen. Ze worden op de daarbij behorende wijze verteld: verhalend, niet psychologiserend. Ze spitsen zich toe op twee thema’s: het dorpje waar grootvader opgroeide en waar ooit een ontsnapte tijger vriendschap sloot met de doofstomme vrouw van de slager (de tiger’s wife uit de titel), en de ontmoetingen die grootvader als jonge dokter had met een man die niet kon sterven. Deze innemende verschijning, die zelfs kogels en verdrinking overleeft, blijkt een neef van de Dood te zijn, die door zijn oom tot onsterfelijkheid is veroordeeld. De weddenschap die hij ooit met de grootvader heeft gesloten, loopt als een rode draad door het boek.

Volksverhalen

De dood is alomtegenwoordig in The Tiger’s Wife, zowel in het heden van Natalia als in de verhalen die ze zich herinnert. Toch wordt het nergens grimmig en schrijnend. Obreht beschrijft goed hoe de oorlog inwerkt op de bewoners van haar naamloze stad, maar de toon van de oude volksverhalen lijkt ook de passages over de oorlog te beïnvloeden; het is net of ook die oorlog een oud volksverhaal is geworden, iets van vroeger, waar je bedachtzaam knikkend naar luistert. En omdat die oorlog nog maar zo kort geleden plaatsvond, maakt dat een vreemde indruk. Het zorgt ervoor dat de roman zo weinig verontrustend is dat het bijna verontrustend wordt, en ik heb niet de indruk dat die subtiele kanteling de bedoeling van de auteur was. Het is eerder zo dat Obreht, hoe goed ze ook schrijft, te voorzichtig is.

Want ze houdt zich voortdurend in, ook als het niet over de oorlog gaat. Telkens wanneer je denkt dat het gruwelijk misgaat, loopt het met een sisser af, zoals wanneer Natalia in een afgelegen dorpje een bar binnenloopt waar ze met een aantal gefrustreerde veteranen wordt geconfronteerd, of wanneer een bosbrand het buitenhuis van haar grootvader bedreigt.

Obreht durft haar personages niet genoeg te laten lijden, misschien ook omdat het boek autobiografische elementen bevat. Dat maakt The Tiger’s Wife tot een veilige roman, met gladgeschuurde, afgeronde hoeken waarover je genietend je handen kunt laten glijden. Maar soms wil je splinters in je vingers.