Boek nu, lees later

De boekhandel kwijnt, de ontlezing schrijdt voort, het einde van het boek naakt, maar de winkels staan vol met boeken over boeken. Van beroepslezers, plezierlezers, wetenschappers en grappenmakers. Een bibliotheek vol, constateert Pieter Steinz.

Umberto Eco: Confessions of a Young Novelist. Harvard University Press, 232 blz. € 19,- (geb.) De vertaling verschijnt in de herfst bij Bert Bakker.

Alberto Manguel: De kunst van het lezen. Vert. Nicoline Timmer. Ambo, 412 blz. € 29,95 (geb.)

De kunst van het lezen heet de nieuwe essaybundel van Alberto Manguel – een minuscuul verschil met zijn vorige boeken, die in Nederlandse vertaling titels hebben als Een geschiedenis van het lezen, Dagboek van een lezer en De bibliotheek bij nacht. Dit keer krijgen we van de 62-jarige Argentijn te horen hoe dat moet, lezen. Uit zijn ‘Aanzet tot een definitie van de ideale lezer’ blijkt onder meer dat we het verhaal niet moeten reconstrueren, maar re-creëren; dat we ‘stapelaars’ moeten zijn die bij elke keer herlezen een herinneringslaag aan het verhaal toevoegen; dat we een boek moeten beoordelen op zijn uiterlijk; dat we niet op zoek moeten zijn naar antwoorden maar naar vragen; en dat we verliefd kunnen worden op een van de personages in het boek. De ideale lezer is bovendien gul én gulzig, schaamteloos wispelturig, zelden sentimenteel en nimmer ongeduldig.

De onderliggende gedachte is duidelijk: de ideale lezer is Alberto Manguel, kosmopoliet en polyglot, bezitter van een bibliotheek van dertigduizend banden en ex-voorlezer van schrijver en bibliogigant Jorge Luis Borges. Klinkt dat zelfgenoegzaam? Dat maakt Manguel meer dan goed met zijn vlot leesbare essays waarin de literaire dwarsverbanden, culturele associaties en aansprekende anekdotes over elkaar heen buitelen. De beroepslezer is bovenal een autobiograaf. Hij schrijft niet alleen over zijn ontmoetingen met Borges (in de afdeling ‘Lessen van de Meester’), maar ook over zijn joodse wortels, zijn homoseksualiteit en zijn verleden als salonsocialist (en bewonderaar van Che Guevara). Daarbij gaat hij uitgebreid in op de fictiefiguren met wie hij zich altijd heeft vereenzelvigd: de titelheldin van Alice in Wonderland, omdat haar omzwervingen in Wonderland en het land ‘achter de spiegel’ zo’n mooi symbool zijn voor het dwalen van de ideale lezer; Don Quichot, wegens zijn blinde geloof in het boek én in de waarheid; Pinokkio, om zijn vermogen lezend te leren en zo een goede zoon en een goede burger te worden.

Miniopera

Vanzelfsprekend kan Manguel zich een wereld zonder het papieren boek niet voorstellen, hoewel hij zijn ogen niet sluit voor de digitale revolutie. Sommige genres, zoals encyclopedieën,vinden onderdak in elektronische dragers, en het lezen is zijn aristocratische eigenschappen (macht en aanzien) aan het verliezen. Maar interactiviteit komt teksten alleen maar ten goede; in een lezing uit 1997, ‘De computer van Sint Augustinus’, droomt Manguel van ‘een apparaat dat, als Wagners Gesamtkunstwerk, een soort miniopera mogelijk zal maken waarin alle zintuigen worden aangesproken om een tekst te herscheppen en tot grotere hoogte te stuwen’. Met de nieuwe generatie e-readers en smartphones kom je een heel eind.

Manguel, hoe erudiet ook, is wat je een plezierlezer noemt; zijn Italiaanse tegenhanger Umberto Eco is in de eerste plaats een beroepslezer – en soms een tamelijk onuitstaanbare. In Confessions of a Young Novelist (kokette titel, want de 79-jarige Eco is al romancier sinds 1980) zijn vier lezingen bijeengebracht die hij drie jaar geleden hield op Harvard College. De eerste is een uitleg bij de uitleg die hij zelf in het midden van de jaren tachtig gaf over de oorsprong en de wording van zijn succesroman De Naam van de Roos. De laatste is een uitbreiding van het fraai geïllustreerde boek (De betovering van lijsten) waarin Eco een groot aantal opsommingen, verzamelingen en andere lijstjes bijeenbracht. In het tweede essay gaat ook Eco in op de verhouding tussen tekst en lezer, een onderwerp dat hem al fascineert sinds hij in de jaren vijftig zijn eerste stappen zette op het gebied van de semiotiek, de leer van tekensystemen. Maar echt veel levert dat niet op. Ja, dat een lezer soms meer uit een boek haalt dan de auteur erin stopt. En dat de lezer soms de spitsvondigheden van de auteur op een verbazingwekkende manier anders interpreteert.

Anna Karenina

De meest ambitieuze van de lezingen is ‘Some Remarks on Fictional Characters’, waarin Eco de vraag probeert te beantwoorden waarom we kunnen huilen om de dood van Anna Karenina, terwijl we geen traan laten om miljoenen echte individuen die van de honger sterven. Hij haalt er van alles bij: semiotische theorieën, wetenschappelijke staatjes en natuurlijk voorbeelden uit zijn eigen boeken. Zijn conclusie luidt dat we sympathiseren met tragische helden, omdat we zien welk noodlot ze tegemoet gaan, zonder dat we hen ervan kunnen weerhouden; en dat fictie ons doet beseffen dat ‘our view of the actual world is as imperfect as the view that fictional chracters have of their world’.

Beide boeken, van Manguel en Eco, hebben een belangrijk effect: ze zetten je aan tot lezen van al die klassiekers die erin besproken worden – het ene door het enthousiasme dat eruit spreekt, het andere doordat je het kriebelende gevoel krijgt dat je na al die theorie wel toe bent aan iets écht literairs. Een receptenboek is leuk, maar er gaat niets boven mooi opgediende gerechten. De massieve verhalenbox die onlangs is verschenen ter gelegenheid van de 50ste verjaardag van de reeks Penguin Modern Classics (die met de zilvergrijze omslagen) komt dan ook als geroepen. Vijftig verzorgd uitgegeven miniboekjes in een kartonnen cassette met een collage van alle auteursfoto’s op de achterkant; vijftig novelles en minibundels (drie tot acht korte verhalen) van de grote namen uit de wereldliteratuur, van de Japanse gruwelschrijver Akutagawa tot de Oostenrijkse cultuurcriticus Stefan Zweig. Zijn Schachnovelle (Chess) is een van de complete novelles in de serie, die ook nog Dear Illusion van Kingsley Amis, Him with His Foot in His Mouth van Saul Bellow en Babette’s Feast van Isak Dinesen (Karen Blixen) bevat.

Nog maar vier van de vijftig schrijvers zijn in leven (Robert Coover, Margaret Drabble, Ludmilla Petroesjevskaja en William Trevor), maar dat is niet verwonderlijk bij een klassiekenserie als deze. Wel vreemd, en jammer, is dat er geen Nederlandse schrijvers in de box zijn opgenomen; maar dat wordt ongetwijfeld goed gemaakt wanneer de Modern Classics 60 jaar bestaan. Intussen is er genoeg tijd om deze box, een startersbibliotheek op zichzelf, van A tot Z te lezen.

Mini Modern Classics Box Set. Penguin Books, € 195,- De 50 deeltjes zijn ook los verkrijgbaar voor 6 euro per stuk