Waarom ik mij soms schaam voor Nederland

Het was april 1949. De regering, het eerste kabinet-Drees, was, na een militair geslaagde, maar internationaal-politiek verloren ‘politionele actie’ tegen Soekarno’s Republiek, tot de conclusie gekomen dat aan een soevereiniteitsoverdracht aan een onafhankelijk Indonesië niet te ontkomen viel. Alleen was het nog onzeker of daarvoor in het parlement de vereiste meerderheid van tweederde te vinden zou zijn.

Op dat ogenblik bezocht een Amerikaanse journalist Den Haag. Minister van Buitenlandse Zaken Stikker kon hij voor een interview niet te pakken krijgen (was die misschien in Washington om het Noord-Atlantisch verdrag te tekenen?). Hij moest zich tevreden stellen met vicepremier mr. J.R.H. van Schaik, overigens een machtig man.

Na afloop van het gesprek vroegen Nederlandse collega’s de Amerikaan naar wat Van Schaik hem gezegd had. „De minister zei: pacta sunt servanda”, is het enige wat de journalist losliet. Op welke pacta Van Schaik doelde, zei hij er niet bij – of ben ik vergeten. In elk geval kon een Nederlandse bewindsman zich er toen nog zonder blozen op beroepen dat verdragen nagekomen moeten worden.

Nu is het de Vlaamse minister-president, Kris Peeters, die Nederland herinnert aan deze spreuk. Hij zinspeelde op het verdrag tussen Nederland en Vlaanderen van 2005, waarbij Nederland zich er onder andere toe verplicht had de Hedwigepolder in Zeeuws-Vlaanderen onder water te zetten. Dat had uiterlijk in 2007 moeten zijn gebeurd, maar al het kabinet-Balkenende probeerde onder die verplichting uit te komen, en nu heeft Peeters, nota bene via de media, moeten horen dat het kabinet-Rutte de polder wil droog houden en naar alternatieven zoekt.

Nederland is dus helemaal niet van plan zich aan het verdrag van 2005 te houden. Dat kan geconstateerd worden, ook zonder een uitspraak te doen over de vraag of Nederland er in 2005 goed dan wel verkeerd aan heeft gedaan die verplichting op zich te nemen. Pacta sunt servanda, maar het kabinet-Rutte vindt blijkbaar van niet.

Die houding is des te merkwaardiger, omdat Rutte vorige week ten aanzien van Griekenland een heel andere toon liet horen: „Griekenland moet de afspraken tot de laatste jota, alfa en omega nakomen.” Hier wordt met twee maten gemeten: ten aanzien van Griekenland wordt de uiterste strengheid betracht – of die vol te houden is, is een andere vraag – terwijl het zichzelf met op z’n best een zekere nonchalance van eigen verplichtingen ontslaat.

Het moet ons niet verbazen wanneer anderen Nederlands vertoon van eigen deugdzaamheid met een zekere scepsis bezien. Hoe vaak halen wij niet Hugo de Groot uit zijn boekenkist om met hem te pronken (terwijl eigen land hem op slot Loevestein gevangen zette en hij slechts emplooi in Zweden kon vinden)? Ook beijveren opeenvolgende regeringen zich ervoor van Den Haag de hoofdstad van het internationale recht te maken. Zoiets schept verplichtingen, die misschien niet juridisch, maar wél moreel zijn.

En wanneer we staatssecretaris Bleker op de televisie horen spreken over het verdrag tussen Nederland en Vlaanderen van 1839, dan kunnen we gaan twijfelen aan de ernst waarmee het kabinet-Rutte zijn taak opvat. In 1839 bestond Vlaanderen nog helemaal niet als staatkundige eenheid. Bleker bedoelde waarschijnlijk het tractaat tussen Nederland en België van 19 april 1839, waarbij Nederland zich verplichtte tot het openhouden van de Schelde.

Eerlijk gezegd, zijn er ogenblikken waarop ik mij plaatsvervangend schaam voor de handelingen of besluiten (dan wel besluiteloosheid) van degenen die Nederland vertegenwoordigen – of dit nu regeringen, parlementen of andere hooggeplaatsten zijn. Uit de recente geschiedenis noem ik er twee. De ene is Srebrenica, waarin het toenmalige kabinet verantwoordelijk was, maar het parlement allerminst vrijuit ging. Het was immers op zijn aandringen dat lichtgewapende militairen gestuurd werden naar een plaats die niet te verdedigen viel, maar toen, na het drama van 1995, de kwestie van de verantwoordelijkheid onderzocht werd, was er al lang een ander parlement, en dat waste zijn handen in onschuld.

De andere is de affaire-Lockheed. Een land waarvan de echtgenoot van het staatshoofd zich inlaat met duistere financiële zaken, verliest zijn recht te oordelen over dergelijke praktijken van anderen. Ook hier waren opeenvolgende kabinetten in zoverre verantwoordelijk als zij prins Bernhard veel te veel vrijheid van handelen hadden gegund.

Deze plaatsvervangende schaamte heb ik eens eerder het negatieve bewijs van mijn nationalisme genoemd: wanneer ik in het buitenland niet-Nederlanders zich zie misdragen, erger ik mij er op z’n hoogst aan; wanneer Nederlanders dat doen, schaam ik mij. Op de een of andere manier voel ik mij er medeverantwoordelijk voor of ben ik bang erover aangesproken te worden. Zo ook voor het Nederlandse gedraai om de Hedwigepolder, waarmee ik persoonlijk niets te maken heb. Deze zaak doet Nederlands naam als betrouwbare partner geen goed, en dat straalt op iedere Nederlander af, hoe onberispelijk hijzelf ook mag zijn.