Vertrouwen tussen ov-bedrijven weg

De invoering van de chipkaart voor het openbaar vervoer leidt tot grote ergernis bij consumenten. Henry Meijdam onderzocht de problemen. „Er is weinig onderling vertrouwen.”

Oscar Vermeer

Het gebruik van de ov-chipkaart wordt nog dit jaar in heel Nederland verplicht gesteld voor bus-, tram- en metroreizigers. Eind 2012 wil ook de NS overstappen van het papieren kaartje op de chipkaart. Maar het oplossen van een aantal hardnekkige kinderziektes op het spoor, zoals het dubbele opstaptarief en het meerdere keren verplicht in- en uitchecken, wil maar niet lukken.

Dat ligt vooral aan de vervoerders zelf, blijkt uit het rapport van de commissie-Meijdam dat vandaag is gepresenteerd. Henry Meijdam: „De consument heeft nu een gebruiksvriendelijk systeem op het spoor en dat heet het papieren kaartje. Dat moeten we handhaven tot alle problemen zijn opgelost.”

Er is iets goed mis bij de vervoerders?

Meijdam: „Partijen vertrouwen elkaar onvoldoende. Ze hebben grote moeite zich te verplaatsen in elkaars positie. Bij Trans Link Systems (TLS), het bedrijf dat de kaart beheert, is het formeel allemaal uitstekend gerekend. Maar omdat NS de grootste aandeelhouder is, heeft het bedrijf de schijn tegen dat er niet ordelijk met de informatie van andere vervoerders wordt omgegaan. Andere bedrijven hebben het gevoel dat ze weinig invloed hebben en dat ze te veel betalen voor de diensten van TLS.”

Waar komt dat wantrouwen vandaan?

„Er staan buitengewoon grote financiele belangen op het spel, winstmarges zijn smal in het openbaar vervoer. Bedrijven zijn huiverig om gegevens prijs te geven. Het is concurrentiegevoelige bedrijfsinformatie.”

Gevolg is dat problemen nauwelijks worden opgelost. De ov-kaart beloofde de reiziger gemak, maar die belofte is niet waargemaakt, schrijft u.

„Problemen oplossen kost onnodig veel tijd en moeite, en eindigt soms in een impasse. Het gaat niet voortvarend genoeg. Er is nergens een plek waar beslissingen worden genomen.”

U noemt nog een reden waarom problemen blijven bestaan: verkeerd in- of uitchecken kost nu de reiziger geld, en dat moet hij zelf maar weer terug zien te krijgen. Financiële gevolgen voor de vervoerders zijn er niet.

„Exact. Ze hebben er geen belang bij. Er zijn niet veel inwendige prikkels voor vervoerders om de consument maximaal te bedienen.”

U wilt een ov-autoriteit die wél knopen kan doorhakken?

„Het is een vreselijk woord, maar wij wisten ook niks beters te verzinnen. Het gaat erom dat er een partij komt die bindende beslissingen kan nemen. Alle vervoerders en provincies nemen verplicht deel. En er is een onafhankelijke voorzitter, benoemd door het kabinet, die de doorslaggevende stem heeft als er geen meerderheid te vinden is.”

U geeft twee voorbeelden van hoe het wél moet. De problemen met het dubbele opstaptarief en het meerdere keren verplicht moeten in- en uitchecken, zijn eenvoudig op te lossen.

„Alle vervoerders hebben nu eigen in- en uitcheckpalen. Dat is een probleem wanneer je als reiziger overstapt van de NS op een regionale vervoerder. Reizigers vergeten tussendoor uit te checken of ze komen aan op een perron waar de verkeerde palen staan. Maar als je het systeem technisch aanpast, hoef je tijdens je reis nog maar één keer in te checken en één keer uit te checken. Dat kost naar schatting 50 miljoen euro, 3 eurocent per treinreis. Daar komt bij: reizigers die overstappen betalen nu ook twee keer het opstaptarief van 80 cent. Dat probleem is dan ook automatisch opgelost.”

De reiziger betaalt de oplossing dus zelf. Dat vindt de politiek niet leuk.

„Dit is een pakket met zoet en zuur. Men kan niet zeggen: dit onderdeel vind ik leuk, maar dat onderdeel laten we zitten. Cherrypicking werkt averechts. Ook elke vervoerder heeft zijn eigen kanttekeningen geplaatst. Er is beginnend draagvlak voor dit rapport, maar dat kan buitengewoon snel afbrokkelen.”