Vertolker van uitzichtloze moed

Voor dichter Ellen Warmond was poëzie een middel om vorm te geven aan de desillusies en de tragiek van het leven.

Gedichten schrijven was volgens Ellen Warmond „een handwerk en een ambacht”. Poëzie moest worden gemaakt „zoals een timmerman een tafel maakt”, dichtte ze. De dichteres overleed gisteren op tachtigjarige leeftijd.

Ellen Warmond schreef geen gedichten voor gelukkige mensen. Uit haar werk spreekt een intens somber levensgevoel. „Een dom dier is een mens/ die zich vergist in een medemens/ dat liefde noemt en daarmee/ gelukkig is”. Zo begint haar gedicht ‘I.p.v. scheurkalender’. Het is geen besef waar ze zich op laat voorstaan, want een mens die dat inziet, heet in hetzelfde gedicht „een triest dier”.

Leegte, verlatenheid en vervreemding bepalen de toon van haar vele dichtbundels, die ze schreef in een sobere stijl. Aanvankelijk met een liefde voor uitgewerkte metaforen, maar allengs kaler en verstilder. Warmond debuteerde in de jaren vijftig, ontwikkelde zich verder in de jaren zestig en bleef daarna een gevestigde naam. Ze had een eigen stem en was geen exponent van de toen heersende stromingen in de literatuur: wel vrij, maar niet experimenteel als de Vijftigers, wel alledaags realistisch maar terloopser dan de Zestigers en haar ironie was, anders dan bij de uitbundige Zeventigers, een uiting van haar sceptische kijk op het leven, dat „inoperabel tekort”.

„De eigentijdse naam van eigentijdse/ voorwerpen maakt poëzie nog niet moderner”, stelde ze, en voegde daaraan toe: „en het woord kut maakt een gedicht/ zo ouderwets als een wc-deur”. Liever zou ze een veelgebruikt woord als zilver hanteren op een manier die je het „zilver in je vullingen doet proeven”.

Warmond werd geboren als Pieternelle Cornela van Yperen en volgde na de oorlog een balletopleiding. Ze stopte in 1953 als danseres van het Rotterdams Ballet Ensemble, maar de balletzaal is zichtbaar in haar werk door het terugkerend spiegelmotief en een soms zwierig klankgebruik. Vanaf 1955 werkte Warmond bijna dertig jaar bij het Letterkundig Museum in Den Haag. Daar schreef ze mee aan schrijversprentenboeken.

De diverse prijzen die ze kreeg, reflecteren de kritische waardering voor haar werk. In 1987 werd haar hele oeuvre bekroond met de Anna Bijns Prijs. Haar debuut, de bundel Proeftuin (1953) werd meteen al onderscheiden, met de Reina Prinsen Geerligsprijs. Voor de bundel Warmte, een woonplaats (1961) ontving ze de Jan Campertprijs. In deze bundel klinkt ze anders, optimistischer. De liefde speelt een grote rol, zoals in ‘Je bent’, dat begint met: „Je bent gewoon je bent/ gewoon een mens dat is/ een warm en onontwarbaar wezen”. Het gedicht sluit af met: „ik heb je liefgehad/ dit is de nacht// ik heb je lief/ ik heb je niet bedacht.”

Toch was haar oeuvre overwegend consistent van aard, stelde collega Herman de Coninck in 1991 vast, acht jaar voor haar laatste bundel verscheen. Hij noemde haar werk een „samenraapsel van uitzichtloze moed” en citeerde instemmend haar gedicht ‘Vertalingen’: „Hoe ik me voel vandaag/ wordt onbedoeld en ongevraagd/ in beeld gebracht// om acht uur ’s morgens/ op een windstil plein:// een oude man die langzaam/ een lege invalidewagen voortduwt.”