Van wie is het koloniale Paramaribo?

Dat de koloniale gebouwen van Paramaribo op de Werelderfgoedlijst staan, is geen garantie voor een goed beheer, schrijft promovendus Eugenio van Maanen.

De kleur van de houten gebouwen is onveranderlijk wit, luiken en deuren zijn groen geverfd, de bakstenen stoepen zijn rood. Halve louvreluiken, dakkapellen met puntdaken en balkons die rusten op houten zuilen vervolmaken de gevelcompositie. Ziedaar de karakteristieke houten binnenstad van Paramaribo. Begin vorig jaar streek de crew van de film Sonny Boy nog in de Surinaamse hoofdstad neer om sfeervolle opnamen te maken zoals bij de oude koloniale officierswoningen tegenover het zeventiende-eeuwse Fort Zeelandia. En onlangs werd met Europees geld de restauratie van de houten kathedraal voltooid. Eerder werd met Nederlandse hulp het grotendeels van hout gebouwde presidentieel paleis gerestaureerd.

Sinds 2002 staat het houten centrum van Paramaribo op de Werelderfgoedlijst van Unesco, onder meer wegens ‘outstanding universal value’. Voor Suriname een unieke manier om het land op de kaart te zetten en aan de ‘nationale identiteit’ te werken. Maar wat vinden de Surinamers er zelf van; hoe ‘universeel’ is de waarde van het gebouwde erfgoed eigenlijk? Het zijn enkele van de vragen die sociaal-geograaf Eugenio van Maanen zich stelde in zijn proefschrift Colonial heritage and ethnic pluralism waarop hij vandaag in Groningen promoveert.

Van Maanen hield, naast interviews met inwoners en experts, een enquête onder vijf bevolkingsgroepen: Creolen, Marrons, Hindostanen, Javanen en gemengden. Een van zijn conclusies luidt dat Hindostanen en Javanen „zich relatief het minst identificeren met het gebouwde koloniale erfgoed”. Creolen en Marrons (afstammelingen van gevluchte slaven) hebben dat veel meer. Dat komt onder andere doordat de houten binnenstad, ontworpen naar Nederlandse, Engelse, en Franse architectonische tradities, in de koloniale periode grotendeels door creoolse timmerlieden, ‘vrijen’ en slaven, is gebouwd. Bovendien voelen Creolen zich meer verbonden met de stad, waar ze wonen en werken, dan Hindostanen en Javanen die eind 19de en begin 20ste eeuw als contractarbeiders in de districten terechtkwamen. Geen enkele van de ruim tweehonderd ‘erfgoedgebouwen’ heeft volgens de promovendus een Hindostaanse of Javaanse oorsprong.

„Erfgoed is altijd omstreden, overal ter wereld”, zegt Van Maanen. „Wie de macht heeft, bepaalt wat als erfgoed gezien wordt. In Suriname, waar geen enkele bevolkingsgroep dominant is, geldt dat misschien nog meer.” De promovendus concludeert ook dat de Unesco-nominatie de verschillende etnische bevolkingsgroepen „niet dichter bij elkaar brengt”.

Hoe kwam hij ertoe het gebouwde erfgoed in Paramaribo als promotieonderwerp te kiezen? Van Maanen: „Ik werkte via Ontwikkelingssamenwerking als adviseur toerisme voor de overheid van Nepal. In de Kathmanduvallei zijn zeven werelderfgoedsites van Unesco, waaronder tempelcomplexen. Het idee was deze in te zetten als instrument voor toerismeontwikkeling. De lokale bevolking moest ervan profiteren.”

Dat is toch een heel mooi streven?

„Ja, maar de eerste vraag zou moeten zijn: van wie is dat erfgoed eigenlijk?”

Waarom is die vraag belangrijk?

„Unesco en andere betrokken instellingen bekijken dat begrip vanuit een zeer westers perspectief. Bovendien ligt het zwaartepunt bij het materiële erfgoed, gebouwen dus. Terwijl voor de bevolking het immateriële erfgoed, zoals taal, muziek, dans en kunst als onderdeel van haar cultuur veel belangrijker is.”

Wat betekent dit voor het gebouwde erfgoed van Suriname?

„Als dat ‘outstanding universal value’ heeft, zou het voor alle etnische groepen betekenis moeten hebben. Pas als dat zo is, kan je erfgoed gebruiken als bindmiddel.”

Hoe bereik je dat?

„De waardering voor het gebouwde erfgoed wordt in hoge mate bepaald door het gebruik dat mensen ervan maken. Creolen doen dat veel meer, want ze werken van oudsher meer dan andere groepen in de stad, bijvoorbeeld bij de overheid. Je moet als overheid dan ook je energie niet alleen in de gebouwen steken, maar ook naar hun sociaal-economische functie kijken. Je kunt er economische, toeristische en woonfuncties aan geven, waar alle groepen van moeten profiteren. Dan heb je het dus over het beheer en management van gebouwd erfgoed.”

Wat moet Unesco anders gaan doen?

„Zo’n nominatie voor de Werelderfgoedlijst moet veel meer vanuit de samenleving komen. De Surinaamse nominatie is in de jaren negentig vooral een Nederlandse aangelegenheid geweest, voorbereid door de Rijksdienst voor Monumentenzorg en de TU Delft, in samenwerking met een selecte groep in Suriname.”

Wat is daar verkeerd aan?

„Uit allerlei onderzoek blijkt dat erfgoedbeheer alleen succes heeft als de bevolking meedoet. Zo kun je er lokale ngo’s bij betrekken en ervoor zorgen dat alle etnische groepen de gebouwen kunnen gebruiken. Dan sleutel je dus meteen aan de functie van het gebouwde erfgoed. Als je nu in Suriname praat over het beheer van gebouwd erfgoed wijst iedereen meteen naar de overheid. En die heeft geen geld voor het onderhoud van gebouwen die door het tropische klimaat sneller achteruitgaan.”

Was het werelderfgoedproject in Nepal gemakkelijker te realiseren?

„Daar ging het om tempelcomplexen die deel zijn van de eigen cultuur en worden gebruikt door de bevolking. Die nam zelf het initiatief.”