Pleitbezorger voor ‘leesbare’ teksten à la Reve

Heere Heeresma was in de jaren zeventig en tachtig een van de meest aanwezige schrijvers van Nederland. Gisteren overleed hij op 79-jarige leeftijd.

Alleen al de titels van zijn boeken zijn onvergetelijk: Geef die mok eens door, Jet! (1968), Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp (1972), Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming(1973), Een hete ijssalon (1982), Kijk, een drenkeling komt voorbij (2006).
Heere Heeresma, die zondag in het Rosa Spierhuis te Laren op 79-jarige leeftijd overleed, was vooral in de jaren zeventig en tachtig een van de meest aanwezige schrijvers van Nederland. Vijf avondvullende films werden er naar zijn werk gemaakt, waaronder het drank- en familieleedverhaal Een dagje naar het strand (1984), dat werd geregisseerd door Theo van Gogh. Sommige van zijn romans, zoals Han de Wit, golden als cultboeken, geheime tips voor liefhebbers van proza in de stijl van Gerard Reve.

Met Reve werd Heeresma (Amsterdam, 1932) in de eerste helft van zijn carrière veel vergeleken, al vanaf de novellenbundel Bevind van zaken waarmee hij in 1962 als prozaschrijver debuteerde. Met zijn ironische toon, gekenmerkt door de tegenstelling tussen spreektaal en formele, quasi-bijbelse zinsneden, leek hij de Reve van De avonden zelfs te parodiëren. Ook zijn thematiek – eenzaamheid, vervreemding, verwrongen relaties en het menselijk onvermogen – vertoonde overeenkomsten met die van de meester.
Vooral ten tijde van Han de Wit, een tragikomedie over een door zijn ouders onderdrukte jongen, moest Heeresma zich voortdurend tegen de beschuldiging van Reve-epigonisme verdedigen. Misschien daarom ging hij er toe over om de heteroseksuele pornopastiches die hij in de jaren zestig onder pseudoniem had geschreven, opnieuw te bundelen, onder de titels Een hete ijssalonen Pornotaria (1982). Samen met schrijfster en rockgroupie Laurie Langenbach (1947-1984) publiceerde hij in 1978 de ‘intieme correspondentie’ Hier mijn hand en dáár je wang.

Heere Heeresma, geboren als zoon van een onorthodox theoloog, noemde zichzelf wel literator tegen wil en dank. Hij had lak aan het literaire leven, en verklaarde zich maar met één stroming in de Nederlandse literatuur solidair: de Zeventigers, de groep anekdotisch-realistische schrijvers waartoe Hans Vervoort, Hans Plomp, Guus Luijters en Mensje van Keulen gerekend werden. In een ‘manifest’ uit 1970 deden ze een aanval op de gevestigde orde en pleitten zij voor ‘leesbare teksten’ in de stijl van Nescio.
In de jaren negentig werd het stil rondom Heeresma, die in de uitgeverswereld bekend stond om de grote voorschotten die hij kreeg voor boeken die maar niet afkwamen. Al in 1983 had hij aangekondigd dat hij binnen een jaar zijn langverwachte autobiografische roman Kaddish voor een buurt zou publiceren. Het boek, over Amsterdam-Zuid in de periode 1939-1946, zou uiteindelijk tot het midden van de jaren nul op zich laten wachten. Het tweeluik Een jongen uit plan Zuid ’38-’43 en Een jongen uit plan Zuid ’43-’46 (2005) was volgens de recensent van deze krant een ‘mozaïek van herinneringen, een samenstel van beelden en taferelen, vaak niet langer dan een alinea, waaruit zij even oplichten’ en ‘een soort gebed in geserreerd proza voor deze Amsterdamse buurt, waaruit de ziel verdween toen tijdens de bezetting de joodse bewoners werden weggevoerd.’

Een jaar later verscheen er nog een roman, die niet alleen in de titel typisch Hereesma was. InKijk, een drenkeling komt voorbij wordt opnieuw het verhaal verteld van een eigenaardige figuur die zich in allerellendigste omstandigheden staande probeert te houden door zijn verleden te boekstaven. ‘Iedere zin die Heeresma schrijft, schittert en sprankelt, stemt weemoedig of maakt je aan het lachen,’ schreef Elsbeth Etty in haar bespreking; ‘vooral de passages waarin Krekker zich verliest in herinneringen aan de tijd dat hij als tuinman, schipper, klusjesman of wat dan ook in de natuur verkeerde, zijn adembenemend mooi.’