Op Holland Festival 2011 ontbrak de rode draad

Het momentum was wel een beetje weg. Was de opening van het Holland Festival op 2 juni nog een mediahappening, met de koningin die handjes schudde in het Muziektheater, en met Halbe Zijlstra die zich toen nog ongemoeid kon vertonen, een week later verscheen diens brief, en verdween het festival in het rumoer naar de achtergrond. Niet in de laatste plaats natuurlijk omdat het wordt gespaard. Het levert weliswaar vier ton in (van 3,3 miljoen naar 2,9), maar blijft door het Rijk gesubsidieerd. Heel begrijpelijk dat artistiek directeur Pierre Audi daarover verder geen tamtam maakte.

Maar je miste het wel. Overal weerklonk het debat over de kunstbezuinigingen, behalve op dit festival. Dat voelde nu wel erg naar binnen gekeerd. Hier wreekt zich ook de afwezigheid van een festivalcentrum waar bijvoorbeeld een debat plaats had kunnen hebben. In nieuwsluwere tijden mis je zo’n festivalhart eigenlijk ook al, maar nu was het helemaal welkom geweest.

Een ander gemis, op het gebied van theater althans, is de afwezigheid van een duidelijke artistieke signatuur; of tenminste de suggestie dat de selectie op het Holland Festival aansluit bij, en zicht biedt op, nieuwe internationale tendensen. In de theaterselectie zijn ogenschijnlijk altijd maar twee zaken leidend: de persoonlijke voorkeur van directeur Pierre Audi – die met theater natuurlijk minder op heeft dan met muziek en opera, en het niveau: internationale topkwaliteit, en niets minder.

Die kwaliteit bood het festival dan ook wel, met allereerst het programma rond Christoph Schlingensief. Zijn overvolle, ontregelende werken Mea Culpa en Via Intolleranza II vormden een vroeg theatraal hoogtepunt: een waardige en terechte ode aan een van de interessantste regisseurs van de 21ste eeuw. Andere hoogtepunten waren het heerlijk hittepetitterig-Britse, maar verder wat conventionele The School for Scandal van Deborah Warner en dé festivalsensatie Before I Sleep van Tristan Sharps – de vernuftige en ontroerende locatievoorstelling op de Zuidas.

Wil het festival meer van dat soort verrassingen bieden, dan moet er risicovoller worden geprogrammeerd. Simpelweg de bewezen beste makers uitnodigen is een wat eenzijdig artistiek beleid. Bovendien garanderen die bewezen grote namen helemaal niet de beste voorstellingen. Elizabeth LeCompte veroorzaakt met haar Wooster Group allang geen reuring meer. Ook Warlikowski’s Un Tramway stelde teleur, ondanks de aanwezigheid van steractrice Isabelle Huppert. Van Romeo Castellucci werd, wegens twijfel aan zijn nieuwste productie, een reeds bewezen ouder stuk geprogrammeerd.

Meer risico nemen – en mislukken, dat mag best wel eens. Dan kan daar aansluitend over worden gediscussieerd in het festivalcentrum.