Meester van de koele distantie

De gang van zaken rond de ondergang van de IJslandse spaarbank Icesave, het bankroet van DSB en de benoeming van zijn opvolger – nooit was de verstandhouding tussen Den Haag en De Nederlandsche Bank zo koel als in de nadagen van het veertienjarige bewind van DNB-president Nout Wellink.

Buitenstaanders komen er bij De Nederlandsche Bank niet meer in. De beveiliging van de centrale bank is onlangs zodanig geperfectioneerd, dat bezoekers nog slechts via een aparte lift naar een afgeschermde verdieping worden gebracht waar zich een aantal vergaderkamers bevinden. De rest van het gebouw aan het Frederiksplein is voor buitenstaanders ontoegankelijk gemaakt.

De uitsluiting van de buitenwereld onder het motto van beveiliging is opmerkelijk wat betreft symboliek en moment van invoering. Want het kabinet besloot vorige maand dat vertrekkend president Nout Wellink opgevolgd diende te worden door ‘een buitenstaander’. Slechts een buitenstaander kon zorgen voor de cultuurverandering bij DNB die minister van Financiën De Jager vorig jaar had geëist.

De centrale bank mocht zich niet langer als een gesloten bastion gedragen, de eigenmachtigheid van DNB diende te worden ingeperkt. Dat was de politieke prijs die DNB moest betalen voor haar rol in de teloorgang van ABN Amro als het vlaggeschip van het Nederlandse bankwezen (2007), de ondergang van de IJslandse spaarbank Icesave (2008) en het bankroet van DSB, de consumentenbank van Dirk Scheringa (2009).

Zelf kreeg ik te maken met de cultuur binnen DNB toen ik bezig was met een boek waarin Nout Wellink zijn verhaal doet over de turbulente afgelopen vier jaar als president van DNB. De afspraak was dat de tekst op feitelijkheden, toezichtvertrouwelijke informatie en aspecten die onder de geheimhoudingsplicht vallen, zou worden gecontroleerd.

Wellink wilde uiteraard zelf de definitieve tekst nog een keer in zijn geheel lezen. Juridische check en dubbel check, bestuurlijke zorgvuldigheid gekoppeld aan de neiging tot indekking en de behoefte om een brede groep medewerkers erbij te betrekken, hadden tot gevolg dat dit traject langer duurde dan verwacht.

Tempo, zo leek het, speelde geen rol, voorzichtigheid des te meer. Noodgedwongen zou de publicatie van het boek over de zomervakantie heen getild worden. De irritatie van buitenstaanders over de werkwijze van DNB werd voor mij onverwacht invoelbaar.

In de eindfase drong de uitgeverij er nog eens op aan dat het een gemiste kans zou zijn het boek niet op 1 juli, bij Wellinks aftreden, in de winkels te hebben. Even beslist als het eerder was afgewezen, raakte dat argument nu een snaar. De medewerkers van DNB, Wellink incluis, schakelden met vanzelfsprekende professionaliteit over op de hoogste versnelling.

In snel tempo kwamen de laatste aanpassingen van de tekst binnen. Iedereen in de organisatie werkte vol toewijding mee, er werden overuren gemaakt. Fouten werden gecorrigeerd, verduidelijkingen of aanvullingen aangebracht. Grappig was dat Wellink persoonlijk nog enkele suggesties van zijn medewerkers afkeurde en vasthield aan zijn eigen versie. De zoon van een schoolmeester heeft graag het laatste woord.

Nout Wellink was als president van DNB veertien jaar het gezicht naar buiten van de centrale bank. Vanaf het moment dat de financiële crisis uitbrak, profileerde hij zich binnen Nederland noodgedwongen als de hoogste toezichthouder op de financiële sector – en daar vielen de klappen. Een parlementaire commissie onder leiding van Kamerlid De Wit deed in 2009/2010 onderzoek naar de crisis, er kwamen rapporten van deskundigen over de gang van zaken bij de afwikkeling van Icesave en DSB. Het leidde tot een stroom aan kritiek op de handelwijze van DNB. Het had anders gekund – en dat werd in de publiciteit al snel: het had anders gemoeten. In het boek verwerpt Wellink beargumenteerd deze kritiek.

Vorig jaar zomer nam minister De Jager de conclusies van de commissie-De Wit en van de externe onderzoeksrapporten over. De speelruimte van DNB diende te worden beperkt, het primaat van de politiek ten aanzien van de toezichtsector van de centrale bank moest worden versterkt. De bestuursstructuur van DNB moest anders, de (nieuwe) directeur toezicht moest een even zware positie krijgen als de (nieuwe) president. Daarmee zegde De Jager Wellink de wacht aan. Politiek Den Haag was wel klaar met hem.

De laatste fase in de politieke afrekening met het tijdperk-Wellink was de benoeming van zijn opvolger. Lex Hoogduin, de favoriet van de directie en de raad van commissarissen van DNB, was onacceptabel voor Den Haag. Hij werd beschouwd als een insider, omdat hij anderhalf jaar geleden door Wellink naar DNB was teruggehaald. Een dergelijk hoog oplopend meningsverschil over de aanstelling van de president heeft zich nooit eerder in de bijna tweehonderdjarige geschiedenis van de centrale bank voorgedaan. De verstandhouding tussen Den Haag en DNB, in het bijzonder tussen het ministerie van Financiën en DNB, is sinds jaren niet zo koel geweest als in de nadagen van het bewind van Wellink.

Toen duidelijk was dat op Hoogduin een politiek veto rustte en nadat een aantal alternatieve namen te licht was bevonden, doorbraken directie en commissarissen van DNB de patstelling met de voordracht van Klaas Knot. Men kende Knot goed, hij had veertien jaar gewerkt bij DNB en was opgeklommen tot divisiedirecteur toezicht. Hij maakte namens DNB zelfs deel uit van de Nederlandse delegatie die in oktober 2008 in Brussel met de Belgen onderhandelde om ABN Amro en Fortis Nederland uit het omvallende Fortis-concern te lichten.

Een jaar later maakte Knot de overstap naar een topfunctie bij Financiën. Daardoor kon het kabinet hem als een ‘buitenstaander’ presenteren en de credits voor deze verrassende benoeming incasseren.

Tussen minister van Financiën De Jager en Wellink klikte het niet. Deze afstandelijkheid was uitzonderlijk, want een goede relatie tussen de president van DNB en de minister van Financiën is traditie in Nederland. Het was bovendien lastig, want Nederland moest moeilijke besluiten nemen in de zich verdiepende eurocrisis. Tweespalt tussen de president van DNB en de minister heeft zich op monetair terrein – na de devaluatie van de gulden ten opzichte van de D-Mark in 1983 – lang niet meer voorgedaan.

Het afgelopen jaar liepen de opvattingen van De Jager en Wellink over de Europese steun aan Griekenland steeds verder uiteen. Terwijl De Jager onder populistische parlementaire druk opschoof naar steeds hardere uitspraken over gedwongen deelname van de particuliere kredietverleners (banken, verzekeraars, pensioenfondsen) aan een nieuw reddingsplan voor Griekenland, vertolkte Wellink voortdurend het standpunt van de ECB dat gedwongen herstructurering van de Griekse schulden dramatische gevolgen zou hebben voor de stabiliteit van de Europese financiële sector.

Wellink nam, ongebruikelijk, openlijk afstand van uitspraken van De Jager. In het akkoord dat bondskanselier Merkel en president Sarkozy half juni bereikten, klonk het standpunt van de ECB door: Frankrijk en Duitsland besloten dat de private sector alleen op vrijwillige basis meedoet. De Jager moest inbinden, want van gedwongen participatie van de financiële sector in de Griekse crisis was niets overgebleven.

Over de nieuwe bestuursstructuur van DNB verschillen De Jager en Wellink eveneens van mening. Vorig jaar kondigde De Jager een verzwaarde positie van de directeur toezicht aan en eiste hij een cultuurverandering binnen DNB. Deze cultuurverandering noemt Wellink „een containerbegrip”, waar hij weinig boodschap aan heeft.

De verzelfstandiging van de rol van de toezichtdirecteur en de grotere politieke invloed op het toezichtbeleid wijst Wellink af: „Ik vind de richting verkeerd en de risico’s op ongelukken in de toekomst wordt er alleen maar door vergroot.” (Zie: ‘Met twee kapiteins ...’). Hij verwijst naar een recente reactie van de Raad van State die tot hetzelfde negatieve oordeel kwam over het bestuursmodel dat De Jager heeft voorgesteld. Het zal, meent Wellink, in de praktijk ook niet werken: „Ik voorspel dat men bij een volgende grote crisis weer bij de president zal aankloppen, wat ook het nieuwe bestuursmodel gaat worden.”

Zo koel als de verhouding met De Jager was, zo goed gingen Wellink en oud-ministers van Financiën Gerrit Zalm en (na aanvankelijke aarzeling) Wouter Bos met elkaar om. Na een stroeve start zijn Bos en Wellink elkaar steeds meer gaan waarderen. Onlangs traden ze samen op voor het radioprogramma Tros Kamerbreed. Bos bracht in herinnering dat hij in oktober 2008 in overleg met Wellink besloot om de spaarders van Icesave te hulp te schieten door de garantie op het spaargeld tot 100.000 euro te verhogen. Ze wilden voorkomen dat het vertrouwen van spaarders in het financiële systeem zou wegvallen en dat er een run op andere banken zou ontstaan. Bos noemde dit een „defining moment” in zijn relatie met Wellink.

Een paar maanden eerder, tijdens een lunch op 2 juli 2008, hadden Wellink en Bos in het geheim met elkaar afgesproken dat ze koste wat kost ABN Amro zouden redden als Fortis, dat in 2007 de Nederlandse onderdelen van ABN Amro had overgenomen, zou omvallen.

Dit gebeurde na een nacht onderhandelen in Brussel begin oktober 2008. Hierop terugkijkend zegt Wellink: „Het was uitgesloten dat die onderhandelingen zouden mislukken. Dat hadden we nooit laten gebeuren. We waren vastbesloten, ongeacht de maatregelen die we moesten treffen, om ABN Amro te redden. We hebben de Nederlandse financiële sector toen voor een totale collaps behoed. Nederland is die nacht door het oog van de naald gekropen.”