Kunstenaars helpen God

„Mensen zijn vergeten waar schilderkunst over gaat”, zegt de Duitse schilder Markus Lüpertz. De schildervorst exposeert nu in het Gemeentemuseum Den Haag.

‘Dit is het mooiste museum van Nederland,” zegt Markus Lüpertz (1941, Reichenberg) in het Haags Gemeentemuseum. Samen met Franz Kaiser, hoofd tentoonstellingen, loopt hij nog een inspectierondje. Het is de dag voor de opening van een tentoonstelling van een kleine driehonderd werken van Lüpertz, vooral tekeningen. Met zijn wandelstok wijst hij naar twee abstracte tekeningen, Kaiser zag het ook al: „Ze hangen ondersteboven.” Lüpertz knikt en loopt onbewogen verder.

Hij stopt bij een van zijn Malerskulpture, ruimtelijke versies van geschilderde kleurvlakken. Er zitten barsten in het gips. „Ik neem wel wat wax mee morgen,” zegt hij. „Waarom is dit eigenlijk nooit in brons uitgevoerd?” vraagt hij vervolgens aan Kaiser, die daar uiteraard geen antwoord op heeft. „Zal wel weer geen geld voor zijn geweest,” zegt hij, terwijl hij het beeld streelt met een zachtheid die moeilijk past bij zijn strenge imago. En passant poseert de onberispelijk geklede kunstenaar – vlinderdas, pochet, fonkelende sieraden – voor twee fotografen, ook zijn wandelstok met ivoren schedelknop gebruikend als accessoire.

Hij is blij om in Nederland te zijn, legt Lüpertz uit als we even later gedrieën in het museumrestaurant zitten. Het wordt een ingewikkeld interview. Lüpertz spreekt Duits, ik Engels. Kaiser wil tolken maar spreekt in zijn enthousiasme meer dan Lüpertz zelf, die gedistingeerd stilzwijgend van zijn cappuccino nipt. Een heer kletst niet, zoiets zal het zijn. Samen vertellen ze hoe Lüpertz opgroeide vlakbij de Nederlandse grens, hij later een boot had in Monnickendam, en dat Nederland voor hem een schildersland was.

Kaiser: „Toen Lüpertz begon in de vroege jaren zestig, stond de figuratieve schilderkunst weer eens bij het oude ijzer. Abstractie en conceptualisme overheersten, je kon niet zo maar terug naar de figuratie. Dat zou enkel reactionair zijn. Zeker in Duitsland, met de onbespreekbare oorlog nog zo vers in het geheugen.”

De Nederlandse semifiguratieve kunst van Cobra werd een oriëntatiepunt. Lüpertz kijkt geamuseerd toe tijdens het babylonische gesprek. Hij knikt: „Nederland was een springplank voor de Duitse schilderkunst. Dankzij een grote tentoonstelling in Eindhoven begon mijn bescheiden carrière,” grapt Lüpertz – wetend dat hij veel dingen is, maar niet bescheiden.

Op de springplank volgde een flinke sprong. In 1981 schreef de New Yorker beteuterd dat de Amerikaanse hegemonie in de hedendaagse kunst voorbij was: nieuwe schilderbewegingen uit Italië en vooral die heftige Malerei uit Duitsland verjoegen de abstracte en conceptuele kunst. Het leverde Lüpertz een belangrijke plek in de kunstgeschiedenis op, die hij vervult als dandyeske figuur. Veelzeggend prijkt op de tentoonstellingsposter geen schilderij, maar een foto van Lüpertz voor Berlage’s gebouw. Zijn hautaine imago is een bewuste pose. Het bestaat uit een beetje ironie, veel zelfvertrouwen, en een behoefte om te laten zien dat schilders ertoe doen – een beetje zoals een negentiende-eeuwse Malerfürst.

„Mensen zijn vergeten waar schilderkunst over gaat,” stelt Lüpertz. „Dat komt doordat musea zeggen dat er geen verschil is tussen het alledaagse en kunst. Dat verschil is er wel, het is fundamenteel. Waarom zou je anders nog naar een museum gaan? Daarom is dit museumgebouw van Berlage zo goed, dat straalt verhevenheid uit. Vergelijk dat met die eeuwige ‘white cube’.” Hij spreekt de woorden uit alsof er iets vies onder zijn schoen zit. „Een white cube, wie verzint zoiets? Dat was een idee uit de jaren zestig, net als installatiekunst. Dat was toen. Geen mens woont in een witte kubus.”

Dus kunst hoort meer in huizen? Lüpertz knikt: „In huizen, en dan in musea.” En als zijn werken daarvoor te groot zijn, zoals dat enorme schilderij dat nu van het spieraam wordt gehaald omdat het te groot is voor de museumdeuren? „Dan bouwen ze maar grotere huizen.”

Eigenlijk zie je er wel uit als Berlage, merkt Kaiser plotseling op, wijzend naar Lüpertz’ gesoigneerde puntbaardje. Lüpertz glimlacht: „In de ouderdom lijken alle genieën op elkaar.” Kaiser verlaat even de tafel vanwege een telefoontje. Terwijl mijn brein koortsachtig zoekt naar Duitse woorden, schakelt Lüpertz over op vlekkeloos Engels. „De titel van mijn tentoonstelling, In ’t God’lijk Licht, is een statement: eer het goddelijke licht in de openbaring van de kunst. Het is een reactie tegen de druk op kunst om te concurreren met lifestyle, sociale doelstellingen. Kunstenaars hebben God geholpen om de wereld te scheppen. Hoe je een zonsondergang beleeft, komt door Turner. Hoe we bomen in de winter bekijken, komt door Munch. Schilderkunst verklaart de wereld. Mensen vergeten dat.”

Kaiser keert terug, Lüpertz vervolgt in het Duits: „Toen ik directeur was van de kunstacademie in Düsseldorf, stonden studenten te schilderen met de handen in de zakken. Of met muziek op hun hoofd. Dat heb ik meteen verboden. Kunst is een intense bezigheid. Het doet aan betekenisgeving. Het is geen sociaal bindmiddel, geen evenement.” Maar is hij niet zelf ook medeplichtig aan het eventkarakter van kunst, zoals hij via de media de aandacht legt op zijn persoonlijkheid? „Nee. Want uiteindelijk gaat het om mijn schilderijen. Als je daarnaar kijkt, moet je de wolken in je fantasie laten bewegen, over de horizon kijken.” Dus het is aan de kijker om te bepalen wat het werk betekent? „Dat mag ik hopen.”

Lüpertz is dan ook zeer tevreden met de selectie van Kaiser, waarin hij geen inspraak had. Lüpertz: „Een groot oeuvre als het mijne vereist grote posities. Zo herontdek ik mijn werk.” De expositie loopt langs chronologische thema’s, vanaf zeldzaam vroeg werk, toen Lüpertz vaak halsoverkop ateliers ontvluchtte wegens huurachterstand. Toen één oud werk onvindbaar bleek, heeft Lüpertz het museum geholpen door het opnieuw te maken. „Een herinterpretatie hoor.” De verf is amper droog.

Nog altijd schildert hij, met de emancipatie van schilderkunst als eeuwige motivatie. Via klassieke mythologische thema’s, zoals het Parisoordeel, zoekt hij naar betekenisgeving binnen de kunst. Vijftig jaar geleden hielp hij het taboe op figuratieve schilderkunst te doorbreken, nu is het juist de ongekende populariteit van schilderkunst die hem stoort: „Schilderijen van nu gaan niet meer over schilderen. Ze gaan alleen maar over geld, status. Het zijn fetisjen, handwerk.” Als de betekenis van kunst vergeten raakt, heeft kunst geen bestaansrecht meer, zegt hij. Maakt hij zich zorgen over de kunst en de kunstwereld? Lüpertz glimlacht: „Zo lang ik leef, hoeft de kunst zich geen zorgen te maken.”

Markus Lüpertz: In ‘t god’lijk licht. T/m 2 okt. Gemeentemuseum, Den Haag. Di t/m zo 11-17u. Inl. gemeentemuseum.nl