Kamerlid is buiten Kamer slechts een gewone burger

Politici moeten in het belang van het publieke debat kunnen zeggen wat zij willen, is sinds de berechting van Wilders het devies, maar er wordt te licht omgesprongen met de grondwettelijke immuniteit van Kamerleden, betoogt P.P.T. Bovend’Eert.

Sinds de berechting van PVV-leider Geert Wilders rijst de vraag of Kamerleden en andere politici een bijzondere positie innemen in het openbare debat. Moeten zij meer speelruimte hebben in het uitdragen van hun politieke opvattingen? Tot nu toe wordt steeds verwezen naar het voor de vrijheid van meningsuiting belangrijke openbare debat en het feit dat politici daarin een grote rol spelen.

Hoewel deze tot nu toe is onderbelicht, is het nuttig om een blik te werpen op de grondwettelijke regeling van de parlementaire immuniteit van politici (artikel 71 van de Grondwet). Deze wet kan licht werpen op de vraag of politici inderdaad zo veel mogelijk moeten blijven gevrijwaard van strafrechtelijke vervolging, of dat zij als elke andere burger in het openbare leven strafrechtelijk aansprakelijk zijn voor hun doen en laten.

Artikel 71 bepaalt onder meer dat leden van de Staten-Generaal niet in rechte kunnen worden vervolgd of aangesproken voor wat zij hebben gezegd in de vergaderingen van de Eerste en de Tweede Kamer. Het uitgangspunt van deze parlementaire immuniteit is dat politici zich in de vergaderingen van het parlement vrij kunnen uitspreken. Zij moeten niet door vrees voor de rechter worden weerhouden om te zeggen wat zij wensen uit te spreken in het openbaar.

Deze parlementaire immuniteit vrijwaart Kamerleden maar in zeer beperkte mate van strafvervolging. De grondwetgever heeft die immuniteit – bij de invoering ervan, in 1848 – uitdrukkelijk niet verder willen uitstrekken dan tot de beraadslagingen in het parlement. Een verdere uitsluiting of beperking van strafrechtelijke aansprakelijkheid van Kamerleden door de wetgever of door de rechter zou ongrondwettig zijn.

In 1848 nam de grondwetgever op deze manier nadrukkelijk afstand van de oorspronkelijke strekking van de parlementaire immuniteit ten tijde van de Franse periode. Toen gold voor de volksvertegenwoordigers het persoonlijke privilege dat zij nooit konden worden vervolgd voor wat zij, in of buiten het parlement, in woord of geschrift, tot uitdrukking brachten in de uitoefening van hun functie.

De grondwetsgeschiedenis maakt dus duidelijk dat de Grondwet ervan uitgaat dat Kamerleden buiten de vergaderingen van de Staten-Generaal op dezelfde wijze strafrechtelijk aansprakelijk horen te zijn als elke burger. Daarom moet de gedachte worden verworpen dat Kamerleden meer speelruimte zouden moeten hebben dan ‘gewone burgers’ ter zake van politiek geïnspireerde gedragingen buiten het parlement.

Het uitgangspunt moet zijn dat politici in een openbaar debat weliswaar een belangrijke rol vervullen, maar dat zij naar dezelfde – strafrechtelijke – maatstaven als elke burger moeten worden beoordeeld voor zover hun gedragingen neerkomen op belediging, discriminatie of haat zaaien. Het vonnis van de Amsterdamse rechtbank in de zaak-Wilders miskent deze implicatie van de grondwettelijke regeling van de immuniteit.

Bovendien stond bij de totstandkoming van de parlementaire immuniteit in 1848 de gedachte voorop dat Kamerleden zich dienden te gedragen, binnen en buiten het parlement. Alleen de instantie die daarop moest toezien, verschilde.

Het parlement moet ervoor waken dat van de immuniteit geen misbruik wordt gemaakt. Het Reglement van Orde treft diverse voorzieningen voor de Kamervoorzitter om op te treden tegen Kamerleden die over de schreef gaan.

De laatste jaren vertoont dit toezicht op Kamerleden tekortkomingen, zowel binnen als buiten het parlement. De vrijheid van meningsuiting wordt al te gemakkelijk van stal gehaald om onbehoorlijk gedrag en onbetamelijk handelen te rechtvaardigen. Uit het zicht is verdwenen dat juist ook politici een bijzondere verantwoordelijkheid hebben voor het goed functioneren van de staatsinstellingen en de democratische legitimatie ervan. Vergeten is dat de ambtseed van Kamerleden (artikel 60 van de Grondwet) bijzondere ambtsplichten met zich meebrengt.

Gaan Kamerleden in hun gedragingen en uitlatingen over de schreef, dan is het wat mij betreft vanzelfsprekend dat zij ter verantwoording worden geroepen door het bevoegd gezag. Binnen de Kamer zal de Kamervoorzitter moeten ingrijpen. Buiten de Kamer hoort de rechter niet te aarzelen om Kamerleden ter verantwoording te roepen als ze onrechtmatig handelen.

Het belang van het openbare debat kan in geen enkel opzicht een rechtvaardiging zijn om politici meer ruimte te geven dan ‘gewone’ burgers.

P.P.T. Bovend’Eert is hoogleraar staatsrecht en decaan van de faculteit der rechtsgeleerdheid aan de Radboud Universiteit Nijmegen.